Industrialisatie

Harderwijk en de Harderwijkers leefden niet alleen van de visserij. Dat gold maar voor een beperkt deel van de bevolking, zo tussen de tien en twintig procent. Lange tijd waren er in Harderwijk nauwelijks echte fabrieken. Het eerste min of meer moderne bedrijf was de calicotfabriek van Wilhelmus Averink. In 1837 stichtte hij in Harderwijk een bedrijf waar katoenen stoffen werden geweven. Die katoenen stof werd calicot genoemd, een verbastering van Calicut, een havenstad in India waar katoen vandaan kwam.

In de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw kwamen er meer fabrieken in Harderwijk. Dat noemen we industrialisatie. Die vestiging van bedrijven ging niet erg snel. In 1858 werd de gasfabriek gebouwd. In de jaren daarna kwamen er nog enkele fabrieken bij, zoals een vismeelfabriek in 1912 en een kalkzandsteenfabriek in 1920. Het tempo van de industrialisatie ging fors omhoog na de bouw van de Afsluitdijk in 1932. Voor een groot deel van de vissersvloot was er toen namelijk geen werk meer. Voorbeelden zijn de melkfabriek aan de Stationslaan (1932), de asbestcementfabriek Asbestona aan de Havendam (1935), de bouillonfabriek Fino aan de Verkeersweg (1938), later beter bekend als de Californiafabriek. De komst van deze fabrieken was meer dan welkom. Door de economische crisis en de afsluiting van de Zuiderzee waren er ook in Harderwijk veel werklozen

Een ondernemer die goed doorhad dat in Harderwijk de bakens moesten worden verzet was Eibert den Herder (1876-1950). Hoewel een fel tegenstander van de afsluiting van de Zuiderzee, ging hij niet bij de pakken neerzitten toen de zee eenmaal had plaatsgemaakt voor het IJsselmeer. Hij was al 'industrieel ondernemer' als eigenaar van de vismeel- en kalkzandsteenfabriek. Den Herder besloot het toerisme een stevige zet in de goede richting te geven. In 1926 opende hij met enkele andere Harderwijkers een passagiersdienst op Amsterdam. Op 12 mei arriveerde de Stad Harderwijk, het bekendste schip van de NV Holland Veluwe Lijn, in de haven van Harderwijk. In 1927 en 1931 werden de Uddelermeer en de Kasteel Staverden aan de vloot toegevoegd. In 1928 vervoerden de schepen bijna vijfentwintigduizend passagiers.

Na de Tweede Wereldoorlog groeide de industrie in Harderwijk als kool. Vooral Gijs Numan, burgemeester van 1946 tot 1971, was onvermoeibaar bezig bedrijven naar Harderwijk te halen. Koekfabriek Van Delft was het eerste grote bedrijf dat zich na de oorlog in Harderwijk vestigde (1959). Een ander voorbeeld van Numans succesvolle lobby is de Amerikaanse aluminiumverwerker Reynolds (het tegenwoordige Alcoa), een groot bedrijf dat vele honderden mensen werk gaf.

In 1959 werd de Fabrikanten Kring Harderwijk opgericht, met als eerste voorzitter de heer Schop van het bedrijf Schop Conservenfabriek. Inmiddels is de naam van die organisatie veranderd in Bedrijvenkring Harderwijk.

Langzamerhand verplaatste de industrie zich uit de stad naar locaties als het industrieterrein Lorentz. In verband met de ontwikkeling van het Waterfront verdwijnen ook de bedrijven rond de haven en vinden een plek elders in de stad. Van sommige bedrijven leven alleen nog herinneringen voort, zoals in het Stadsmuseum Harderwijk een motor, geschonken door  motorenfabriek Samofa. In het stadhuis staat het beeld de Asbestdelver, afkomstig van de Scheepssingel, een geschenk van het dankbare personeel van Asbestona ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan in 1960. Over asbest werd toen heel wat positiever gedacht dan nu. Toen betekende het werkgelegenheid en een uitstekend vuurvast bouwmateriaal. Nu wordt asbest vooral gekoppeld aan een dodelijke longziekte, namelijk asbestose.