De Visserij

De Vischpoort en de Vischmarkt zijn voor veel mensen symbolisch voor Harderwijk. Vissers en visserij horen immers van oudsher bij onze stad, net als later het Dolfinarium. Al in 1443 kreeg Harderwijk het stapelrecht op alle gevangen vis tussen Muiden en Kampen. Dat betekende dat al die vis hier moest worden verkocht. Tot de bouw van de Afsluitdijk in 1932 leefde een flink aantal gezinnen van wat de Zuiderzee te bieden had. De naam Vischmarkt herinnert nog aan die 'goede, oude tijd', die overigens heel wat minder romantisch is dan nu vaak lijkt. Merkwaardig genoeg werd op de Vischmarkt geen vis verkocht. Dat gebeurde bij de Hoge Bruggepoort, aan het begin van de Vijhestraat. De naam Vischmarkt is pas veel later in zwang gekomen. Naar schatting zorgde de visserij in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw voor zo'n tien tot twintig procent van de werkgelegenheid in Harderwijk.

Jood van de Kuute (HK 41), Strontjen (HK 82), de Linkse (HK 99), Goossen de Snottelikkert (HK 55). Zo maar een paar namen van vissers en de cijfers van hun 'skuuten'. Want als je in Harderwijk woonde hoorde je Karssen, Petersen, Klaassen of Foppen te heten. Maar hoe hield je ze uit elkaar? Over welke Foppen hebben we het en over welke Petersen? Daarom gebruikten de vissers bijnamen, niet om te schelden, maar om precies te kunnen zeggen wie werd bedoeld.

Onderhoud schepen

Als we het over vissers, visserij en werkgelegenheid hebben, moet niet alleen aan het vissen zelf worden gedacht. De vissersschepen of botters moesten ook onderhouden worden. Daarom was er werk voor scheepstimmerlieden. Als de zeilen kapot gingen of als er nieuwe zeilen moesten worden aangeschaft, kwam de zeilmaker in beeld. En natuurlijk waren er de nettenbreiers en nettenboeters, mensen die nieuwe netten voor de vissers maakten en netten repareerden.

Taanderijen

Daarmee zijn we er nog niet, want ook voor de taander was genoeg werk. Netten werden getaand, ofwel voorzien van een beschermend laagje om te voorkomen dat ze door het zoute water beschadigd werden. Er waren daarom in Harderwijk taanderijen waar je een keer in de twee weken je netten liet tanen. Sommige vissers deden het zelf en taanden dan ook vaak tegelijkertijd hun zeilen, want die gingen daardoor ook langer mee. Dat deden ze met 'kesjoek', eigenlijk caoutchouc, een soort rubber.

Scheepswerf

Een keer per jaar moest het schip naar de werf om goed nagekeken te worden. Vlak bij molen De Hoop is nog steeds een scheepshelling te zien waar schepen op het droge werden getrokken. Soms werd de smid erbij geroepen om het ijzerwerk aan boord te repareren. Op deze plek vind je nu het Bottermuseum.

Werkgelegenheid

Ook wat de vissers aan wal brachten zorgde voor werkgelegenheid. Er waren garnalenpelsters, palingrokers en natuurlijk de visafslag, in de omgeving van het tegenwoordige stadhuis, waar de gevangen vis werd verkocht. Kortom, bij visserij komt heel wat meer kijken dan alleen een aantal vissersschepen op zee. Feitelijk bestaat er een complete industrie omheen. Dat wordt ook bedoeld in de eerste alinea van dit venster: de visserij zorgde voor veel werkgelegenheid. Topjaren waren 1890 met 130 en 1905 met 136 schepen. Het absolute hoogtepunt was 1915 met 162 geregistreerde vissersschepen. Naar schatting leefden aan het begin van de twintigste eeuw zo'n tweehonderd gezinnen van de visserij.

Monument

Vissen was niet alleen een zwaar beroep, maar ook tamelijk gevaarlijk. Bij het beeld van het vissersvrouwtje aan de haven is een plaquette bevestigd met veertig namen. Het zijn de namen van Harderwijker vissers die de afgelopen twee eeuwen op zee zijn omgekomen, soms al heel jong. Sommigen zijn bij stormweer overboord geslagen, anderen verongelukten op de Zuiderzee.

Leugenbank

De vissers 'in ruste' zaten vaak op de leugenbank aan de haven en vertelden sterke verhalen over hun belevenissen. Die leugenbank is inmiddels in ere hersteld, de oale Harderwiekers blijken nog steeds een rijke fantasie te hebben.

 

Rechten

Canoncommissie Harderwijk, CC-BY-NC