Tachtigjarige oorlog

Soldaten

Dat de Over-Betuwe regelmatig strijdtoneel was, had te maken met de nabijheid van de twee vestingsteden Nijmegen en Arnhem en de vesting Schenkenschans op het splitsingspunt van Rijn en Waal.

Al in de beginjaren van de Opstand plunderden volgens een aantekening in het missaal van de pastoor van Herwen, dat toen nog in de Over-Betuwe lag, zowel Spaanse als Staatse troepen onze dorpen. Het kerkdorp Malburgen verdween zelfs helemaal van de kaart. Na de herovering van Nijmegen in 1585 werd de Over-Betuwe frontgebied.  In 1588 bezette een vendel troepen van prins Maurits uit voorzorg kasteel Doornenburg. Na de herovering van Nijmegen door prins Maurits in 1591 werd het relatief rustig. Totdat na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) er regelmatig gevechten waren rond Schenkenschans.

Van 1635 tot 1650 waren, zeer tot ongenoegen  van de burgemeester, troepen van Frederik Hendrik in Huissen ingekwartierd. Al even merkwaardig als de mogelijke komst van de Italiaanse deserteurs in 1622; de Staatse soldaten waren voor Huissen leden van een buitenlandse krijgsmacht en hadden daar dus eigenlijk niets te zoeken.

'Hij is zeker naar Huissen'.

Huissen is niet alleen voor de katholieke inwoners uit omliggende dorpen als Bemmel en Angeren de plaats waar zij voor de beoefening van hun godsdienst terecht kunnen, ook vluchtelingen nemen de wijk naar het stadje wanneer hun de grond onder de voeten te heet wordt, al dan niet met meeneming van bezittingen. Daarom is jarenlang de uitdrukking 'hij is zeker naar Huissen' synoniem voor 'hij is met de noorderzon vertrokken'.