Stadsrechtenbrief

Middeleeuwse stadsrechten

“In naam van de heilige en ongedeelde Drie-eenheid. Amen. Ik, Otto, graaf van Gelre en Zutphen, (…) heb van de plaats Arnhem een stad gemaakt en daaraan alle vrijheid verleend, opdat deze stad en de mensen die erin wonen en erin zullen wonen, zich in vrijheid mogen verheugen…” Zo verleende graaf Otto II op 13 juli 1233 stadsrechten aan Arnhem. In de stadsrechtenbrief werd bepaald dat Arnhem een eigen bestuur kreeg: twaalf schepenen (te vergelijken met huidige wethouders) en twee burgemeesters.

De graaf en Arnhem

In de twaalfde en dertiende eeuw groeide de nederzetting Arnhem sterk. Het gebied bleef echter opgedeeld tussen de graaf van Gelre, voorheen Hamaland, en de kloosters van Prüm en Elten. Graaf Otto II ergerde zich eraan dat hij niets te zeggen had over het domein en de bewoners van het klooster van Prüm. Zo kon hij niet optimaal profiteren van de groei van Arnhem. Hij schonk daarom in 1233 zijn deel van de nederzetting stadsrechten. Naast een eigen bestuur zou de graaf ook geen belastingen meer zonder toestemming van de burgers heffen. Dat sprak de Arnhemmers wel aan. Binnen vijftig jaar moest het klooster van Prüm ook buigen voor de opkomende burgermacht.

De graaf zorgde er wel voor dat hij verdiende aan de stad. Hij benoemde de voorzitter van de rechtbank, de richter. Die moest rechtspreken volgens de aanwijzingen van het stadsbestuur, maar de geïnde boetes gingen naar de graaf. Een rentmeester zorgde ervoor dat de bestaande belastingen in de vorm van tollen en accijnzen ook bij hem terechtkwamen. De graaf was wel goed, maar niet gek.

 

Bestuursmacht en stadsbranden

De burgemeesters en de schepenen kwamen vooral uit de twee belangrijkste families van de stad: Van Arnhem en Van de Gruythuis. De ambachtslieden en handelaren waren niet blij met de machtspositie van deze oude rijke families. In 1406 liep een machtsgreep echter op niets uit. Vijftig Arnhemmers verloren het burgerrecht en zij kregen dat pas terug toen zij beloofden nooit meer in opstand te komen.

Tot 1350 was landbouw voor de 2.500 inwoners van Arnhem het voornaamste middel van bestaan. In de stad stonden veel boerderijen, moestuinen, stallen en varkenshokken. De huizen van hout, riet en stro waren erg brandgevaarlijk. Grote stadsbranden braken uit in 1364, 1419 en 1422. Het stadsbestuur probeerde aan dit gevaar een einde te maken door gratis stenen dakpannen uit te delen. De bevolking groeide gestaag door tot zo’n drieduizend rond 1500.

 

Stadsmuur en stadswapen

Bij een echte middeleeuwse stad hoorden stadsmuren en poorten. Van de stadsgracht zijn de singels een herinnering. Daarnaast is er de nog steeds fraaie Lauwersgracht. De Sabelspoort is de enig overgebleven stadspoort uit de middeleeuwen. De Rijn-, Jans- en Velperpoort zijn in de eerste helft van de 19e eeuw gesloopt. De Sabelspoort (van ‘sable’ = zand) toont alle facetten van het middeleeuwse Arnhem: stevige ronde muren, kantelen, de namen van twee burgemeesters en het stadswapen.

Bij een stad hoorde immers een stadswapen. Dit teken werd, behalve op de toegangspoorten van de stad, ook aangebracht op besluiten en brieven. Hier werd een zegel voor gebruikt, waarvan het oudste uit 1281 dateert. In spiegelschrift staat ‘Sigillu(m) Burgensium de Arnem’, het zegel van de burgers van Arnhem. De geelkoperen stempel werd gedrukt op vloeibare was of lood, waarmee de brieven werden verzegeld. De tweekoppige adelaar zou verwijzen naar de oorspronkelijke naam van Arnhem, Arendsheim of Arnoldsheim. De dubbele arend is een veelgebruikt symbool. De wapens van Gelderland en Duitsland dragen ook de tweekoppige roofvogel.

 

Rechten

Jan de Vries, CC-BY-NC