Wie helpt mij aan werk? Deze vraag werd heel vaak gesteld tussen 1929 en 1940. Want toen was er in ons land bijna geen werk. Er waren ongeveer een half miljoen werklozen, en al deze mensen waren boos en verdrietig. Hoe kwamen ze aan geld? Hoe moesten ze leven?
In oktober 1929 ging het slecht in Amerika. Heel veel bedrijven gingen daar dicht. Er was ineens geen werk meer, en dus ook geen geld. In andere landen ging het daarna ook slecht met de economie, vooral in Duitsland. Maar het ging ook mis in Nederland. Net als in veel andere landen waren we ineens veel minder rijk. Veel mensen raakten hun baan kwijt.
De Nederlandse regering probeerde de werklozen te helpen. Mensen die geen werk hadden kregen een beetje geld, 'steun' werd dit genoemd. Met dit geld kon de werkloze eten kopen en de huur van zijn huis betalen. Maar voor hobby's of andere leuke dingen was geen geld.
Soms moest een werkloze werk voor de regering doen. Dat was vaak zwaar werk. Een werkloze onderwijzer moest bijvoorbeeld een sloot graven of aan een dijk bouwen. En een kapper zonder werk moest helpen met het planten van bomen. In Amsterdam is nog altijd het bos dat door werklozen van toen is gemaakt: het Amsterdamse bos.
Hendrik Colijn was in die tijd minister-president van ons land. Colijn wilde dat Nederland heel zuinig was. Zijn regering wilde dus niet te veel geld uitgeven. Maar daar waren de socialisten, die niet in de regering zaten, het niet mee eens. Zij vonden dat de regering beter haar best moest doen om werklozen aan een baan te helpen. En dat kost juist geld.
Hoe moest de economie weer gezond worden? Daar werd veel ruzie over gemaakt tussen Colijn en de socialisten.