Christiaan Huygens 1629-1695

Wetenschap in de Gouden Eeuw

Lees voor...

Christiaan Huygens werd in 1629 geboren als tweede zoon van Constantijn Huygens, dichter en secretaris van twee prinsen van Oranje. De vader had voor zijn zoons een carrière als diplomaat in gedachten en stuurde hen daarom naar Leiden en later naar Breda, om er rechten en krijgskunde te studeren. Maar Christiaan was meer geïnteresseerd in de wis- en natuurkunde en astronomie. Als kind al weigerde hij Latijnse verzen te schrijven. Liever knutselde hij met molentjes en andere machientjes en observeerde hij de kringen die veroorzaakt werden door een stok die hij in het water gooide.

Al op jeugdige leeftijd correspondeerde Christiaan met gezaghebbende buitenlandse geleerden over diverse vraagstukken. De Franse filosoof, natuur- en wiskundige Mersenne schreef in 1647 aan vader Constantijn: 'Als hij zo doorgaat, zal hij Archimedes nog eens overtreffen.' De vader bleef zijn zoon dan ook tot in lengte van dagen 'mijn Archimedes' noemen.

Huygens verbleef veelvuldig in Engeland en ook in Frankrijk, waar hij in 1655 promoveerde en in 1666 benoemd werd tot eerste directeur van de Académie Royale des Sciences. Deze benoeming illustreert het belang dat internationaal aan Huygens' werk en ideeën gehecht werd. Van 1681 tot aan zijn dood woonde hij afwisselend in Voorburg, op de door zijn vader ontworpen buitenplaats Hofwijck en op het Plein in Den Haag.

Christiaan was een bewonderaar van Descartes, de 'vader van de moderne wijsbegeerte', die zijn denken niet stoelde op overgeleverde leerstellingen en theorieën. Hij wilde zelf experimenteren, observeren en wetten formuleren. Deze nieuwe manier van wetenschap beoefenen is bekend geworden als de Wetenschappelijke Revolutie. Dit was ook wat Huygens deed: voortdurend waarnemen, experimenteren en controleren.

Christiaans verdiensten liggen op veel terreinen: op wiskundig gebied schreef hij onder andere over de kwadratuur van de cirkel, op natuurkundig terrein bestudeerde hij de val- en slingerbeweging, waarvan de uitvinding waardoor hij het meest bekend werd, het slingeruurwerk (1656), een uitvloeisel was. Hij legde zich eveneens toe op het vervaardigen en steeds verbeteren van zeeklokken, die op een schip in volle zee zo nauwkeurig mogelijk de tijd konden weergeven en niet zouden haperen. Het kennen van de juiste tijd was van groot belang voor de plaatsbepaling op zee.

Met zijn dertien maanden oudere broer Constantijn, met wie hij een hechte vriendschapsband had en veelvuldig correspondeerde, hield Christiaan zich bezig met het slijpen van lenzen voor microscopen en astronomische kijkers. Met zo'n kijker ontdekte hij de ring om Saturnus en, even daarvóór in 1655 Titan, de eerst ontdekte maan rond die planeet. De merkwaardige verschijnselen rond Saturnus waren door eerdere geleerden beschreven als een soort 'oortjes' van het hemellichaam. Christiaan onthulde de ware situatie en meldde zijn bevindingen bij vele gezaghebbende sterrenkundigen in Europa. Over Saturnus' ring en de maan Titan schreef hij: 'Ze blijven de tekens van mijn vernuft, en laten de namen die ik schreef aan de hemel dat ook na mijn dood nog beamen.'


officiële versie