Canon van Nederland

Vensterplaten

ca. 3000 voor Christus

Hunebedden

Jagers en boeren

    1. Wat zijn hunebedden?

      In Drenthe en Groningen staan de oudste gebouwen van Nederland: hunebedden. Een hunebed is een stenen begraafplaats. Ze zijn meer dan 5000 jaar oud! Archeologen hebben veel opgravingen gedaan bij hunebedden. Daardoor zijn we steeds meer te weten gekomen over hunebedden.

    2. Jagers en verzamelaars

      Heel vroeger, nog voor de tijd van de hunebedbouwers, leefden de mensen niet op één vaste plek. Ze trokken rond op zoek naar voedsel en jaagden op dieren. Ze woonden in tenten, want die kun je makkelijk afbreken en meenemen. Omdat deze mensen leefden van de jacht en het verzamelen van voedsel, noemen we ze 'jagers en verzamelaars'.

      De hunebedbouwers waren een van de eerste groepen mensen die wel een vaste plek kozen om te wonen. Ze woonden bij elkaar in kleine dorpjes. Hun huizen maakten ze van hout, leem en stro. Rondom hun huis verbouwden ze erwten, linzen en graan. Ze aten ook vlees. En de geiten zorgden voor de melk. Als er een belangrijk iemand uit het dorp overleed, werd hij vlakbij het dorp begraven: in een hunebed!

    3. Het Trechterbekervolk

      Deze pot komt uit de tijd van de Hunebedbouwers. Zij gebruikten zulke potten heel veel, bijvoorbeeld om eten in te bewaren. De pot lijkt een beetje op een trechter. Daarom noemen we de hunebedbouwers ook wel het 'Trechterbekervolk'.

      We weten maar heel weinig over het Trechterbekervolk. Dat komt doordat zij nog niks opschreven. Het alfabet was hier nog niet bekend. Alles wat we over hen weten, komt door opgravingen van archeologen. Zij hebben de trechterbekers gevonden. 'Trechterbekervolk' is een naam die mensen later bedacht hebben.

    4. Hoe werden hunebedden gebouwd?

      Hoe de hunebedbouwers de stenen van de grond kregen en zelfs stapelden weten we niet precies. Machines waren er nog niet en de grootste stenen wegen wel 20.000 kilo!

    5. Zwerfkeien uit de IJstijd

      Hunebedden zijn gemaakt van enorme stenen. Maar hoe zijn die stenen hier eigenlijk terecht gekomen?

      Lang voor de tijd van de hunebedbouwers was de helft van Nederland helemaal bedekt met ijs. Van Groningen tot aan Utrecht lag er een dikke laag ijs over ons land. Net zoals Groenland dat nu nog heeft, bijvoorbeeld. Die tijd noemen we de IJstijd.
      Het was op de hele wereld heel erg koud. Het ijs op de Noordpool werd langzaam naar het Zuiden geduwd. Het schoof over Zweden, over Noorwegen, over Denemarken en toen ook over Nederland. Stenen die het ijs onderweg tegenkwam, zijn in het ijs mee naar Nederland gekomen. Toen het ijs weer smolt, zijn de stenen blijven liggen. Dat zijn de grote stenen waarmee de hunebedden zijn gebouwd. We noemen die stenen daarom ook wel zwerfkeien: ze zijn vanuit het Noorden helemaal hierheen gezworven.

    6. Hunebedden te koop

      Er zijn nu in Nederland nog iets meer dan vijftig hunebedden. Niet één hunebed is helemaal compleet. Op de plaat kun je zien hoe een hunebed er eigenlijk uitzag: bedekt met aarde en gras.

      Bij alle hunebedden zijn wel één of meer stenen weggehaald. En er zijn zelfs nog veel meer hunebedden geweest. Die zijn intussen allemaal afgebroken. In de negentiende eeuw hebben mensen de stenen van hunebedden gebruikt om bijvoorbeeld een gebouw te bouwen. Of om een dijk te maken. Dat ging lekker snel, met zulke grote stenen. Je kon hunebedden toen gewoon kopen!
      In die tijd zijn er veel hunebedden afgebroken. Daarom besloot de regering dat de hunebedden niet verder afgebroken mogen worden. De hunebedden die er nu nog staan, moeten blijven zoals ze zijn.

    7. Stonehenge

      Nederland is niet het enige land waar hele oude bouwwerken staan. Dit is Stonehenge, het staat in Engeland. Het is een cirkel van grote stenen die rechtop staan. Het lijkt een klein beetje op een hunebed, maar je ziet dat het anders is. Niemand weet precies waar Stonehenge voor gebouwd is; waarschijnlijk was het een soort reusachtige zonnewijzer.

      In andere landen van Europa zijn ook echte hunebedden gevonden. Het Trechterbekervolk woonde verspreid over Europa. Overal waar ze woonden, maakten ze hunebedden. Daardoor zijn er hunebedden in veel verschillende landen: in Zweden, Duitsland, Frankrijk en Polen bijvoorbeeld.

Vensterplaten

47-ca. 400

De Romeinse Limes

Op de grens van de Romeinse wereld

    1. Romeinen in ons land

      Ongeveer tweeduizend jaar geleden veroveren de Romeinen uit Italië vele landen in Europa en Noord Afrika. Zo ontstaat het grote Romeinse Rijk. Ook de zuidelijke helft van Nederland hoort bij dit rijk. Van 47 tot ongeveer 400 na Christus is Nederland ten zuiden van de rivier de Rijn van de Romeinen.

    2. De Limes

      Tweeduizend jaar geleden trekken Romeinse soldaten Nederland binnen. In Nederland wonen dan al mensen: de Germanen. Die vechten natuurlijk terug. De Romeinen komen niet verder dan de rivier de Rijn. De Rijn wordt de noordgrens van het Romeinse Rijk. In het Latijn, de taal van de Romeinen, heet zo'n grens de 'Limes'.

      De Rijn is een perfecte grens. Hij is goed te verdedigen, want de vijand komt er niet makkelijk langs. Langs de oevers van de Rijn bouwen de Romeinen forten, wachtposten en legerkampen. Zo verdedigen ze hun rijk tegen aanvallen van hun vijanden uit het noorden.

    3. Romeinse wachttorens

      Overal langs de Limes bouwen de Romeinen forten, wachtposten en legerkampen om hun rijk te verdedigen tegen de Germaanse stammen uit het noorden. Om de paar kilometer zetten de Romeinen wachttorens neer. Die staan precies zover uitelkaar, dat de soldaten naar elkaar kunnen seinen. Zo waarschuwen ze elkaar voor de vijand.

      In de meeste Romeinse legerkampen wonen een paar honderd Romeinse soldaten. Maar bij Nijmegen bouwen de Romeinen een kamp voor maar liefst 2 legioenen. Dat zijn wel 12.000 soldaten!

      Je kunt vast bedenken wat een indruk die maken op de Germanen: 12.000 getrainde Romeinse soldaten met blinkende helmen, schilden en zwaarden.

      Het kamp heet Noviomagus. De Romeinen bouwen het op een heuvel. Zo hebben ze een goed uitzicht over de omgeving en kunnen ze vijanden al van verre zien aankomen.

    4. Een ijzersterk leger

      De Romeinen hebben een groot en sterk leger. Het is het eerste echt goed georganiseerde beroepsleger. Romeinen vechten als georganiseerde groep. Zo zijn ze ijzersterk en winnen van iedereen. Het Romeinse Rijk is natuurlijk niet vanzelf zo ontzettend groot geworden.

      De Romeinen vechten niet zomaar. Ze hebben eerst goed nagedacht en een plan gemaakt. Het leger is verdeeld in legioenen. Een legioen bestaat uit 6000 soldaten.

      De soldaten moeten gehoorzaam zijn aan de leider. Ook moeten ze in een goede conditie zijn. Daarom lopen ze heel veel en ver. Dat doen ze in een strakke rij, met hun zware uitrusting aan.

      Tijdens een gevecht staan de Romeinse soldaten in drie rijen opgesteld. De Romeinen beschermen zich met hun schilden.

      Worden ze van alle kanten aangevallen? Dan gaan ze in een vierkant staan en houden ze hun schilden dicht tegen elkaar aan. Tussen hun schilden steken ze hun speren uit.

      En worden ze met pijl en boog aangevallen? Dan houden ze de schilden boven hun hoofden, zodat ze niet door de pijlen van de vijand geraakt worden.

    5. Soldaat in het Romeinse leger

      In het hele Romeinse Rijk houden soldaten de boel goed in de gaten. Ook in Nederland zijn er duizenden Romeinse soldaten. Er zitten ook Germanen in het Romeinse leger. Je verdient er namelijk veel geld en je hebt dan veel aanzien.

      Een Romeinse soldaat is goed getraind. Hij heeft een blinkende helm op en draagt een harnas op zijn borst. Verder heeft hij een wollen hemd en een korte mantel aan en loopt hij op sandalen. Die sandalen hebben noppen onder de zolen. Zo kun je niet zomaar uitglijden. Voor het vechten heeft de soldaat een zwaard en een speer. Ook heeft hij een schild om zichzelf te beschermen.

    6. De Bataven

      De Bataven zijn een van de Germaanse stammen. Ze wonen op Bataveneiland of Betuwe, ten zuiden van de Rijn, op Romeins grondgebied. Ze leven in vrede met de Romeinen. Veel Bataafse mannen zijn zelfs soldaat in het Romeinse leger.

      Maar dan besluit de Romeinse keizer dat alle Bataven in dienst moeten in het Romeinse leger. Ze hebben geen keus. Daar zijn de Bataven het niet mee eens. De 'Bataafse Opstand' begint.

      De leider van de Bataven is Julius Civilis. Hij weet veel van oorlog voeren af, want hij was heel lang soldaat in het Romeinse leger. Dat komt nu goed van pas. De Bataven zijn sterk. Toch worden de Bataven na een paar maanden door de Romeinen verslagen. Julius Civilis wordt sinds die tijd wel gezien als een held, die voor de vrijheid van de Bataven heeft gevochten.

    7. Een Romeins schip

      De Rijn is niet alleen een perfecte grens. De rivier is ook erg handig om spullen over te vervoeren. Per boot vervoeren de Romeinen hun voorraden af en aan. Bij Woerden hebben archeologen de resten van zo'n Romeins schip opgegraven. Het is zo'n 30 meter lang.

    8. Alle wegen leiden naar Rome

      Ken je de uitdrukking 'Alle wegen leiden naar Rome'? De Romeinen leggen in heel hun rijk wegen aan van steen. De soldaten kunnen zich zo gemakkelijk verplaatsen naar iedere uithoek, om de rust te bewaren en het Romeinse rijk bijeen te houden. Al die wegen leiden uiteindelijk naar... Rome, de hoofdstad van het Romeinse Rijk.

      Wegen van steen zijn heel bijzonder in die tijd. De Germanen hebben geen verharde wegen, maar kronkelpaden van zand. Ook hun bruggen zijn niet van steen, maar van hout.

    9. Een mijlpaal

      Dit is een Romeinse mijlpaal. Mijlpalen waren wegwijzers, de ANWB-borden van die tijd. Wij gebruiken het woord nu ook nog steeds, maar dan voor een belangrijke gebeurtenis in je leven. Je zwemdiploma halen is bijvoorbeeld een mijlpaal.

    10. Goede spullen

      De Romeinen maken veel goede spullen. Hierdoor is er ook veel goed bewaard gebleven, zoals dit Romeinse badolieflesje bijvoorbeeld. Het ziet eruit alsof je het nu nog gewoon in de winkel zou kunnen kopen. Maar het is wel tweeduizend jaar oud!

      We weten nu zoveel over het Romeinse Rijk omdat er uit die tijd zoveel goed bewaard is gebleven. Archeologen graven nu (tweeduizend jaar later) langs de Limes nog steeds spullen op uit de Romeinse tijd. Niet zo lang geleden vonden ze bijvoorbeeld de resten van een wachttoren en twee schepen bij Leidsche Rijn, een nieuwe wijk van Utrecht.

    11. Veel geleerd!

      De Romeinen zijn hun tijd ver vooruit. Ze nemen allemaal dingen mee die de mensen hier nog niet kennen. De Romeinen betalen bijvoorbeeld met geld. Dat is nieuw in die tijd, want de Germanen betalen elkaar door spullen te ruilen.

      Behalve geld nemen de Romeinen nog veel meer spullen mee die nieuw zijn voor de mensen hier. Wat dacht je van spiegels, messen en glas bijvoorbeeld? Of van kippen of vruchten uit Zuid-Europa, zoals perziken, vijgen en druiven? Die kennen we nu allemaal dankzij de Romeinen!

      De Romeinen bouwen hier ook de eerste echte stevige huizen van steen, met dakpannen. En ze leggen de eerste rioleringen aan.

      Ook leren de Romeinen de Bataven schrijven. Met een stylo, een soort pen, schrijven ze in was.  Veel woorden die we nog altijd gebruiken, stammen uit de Romeinse tijd: kasteel van castellum, straat van via strata, en nog veel meer.

Vensterplaten

658-739

Willibrord

Verbreiding van het christendom

Vensterplaten

742-814

Karel de Grote

Keizer van het Westen

    1. Koning Karel de Grote

      Meer dan 1200 jaar geleden hoort Nederland bij het enorme Frankische rijk. Karel de Grote is de koning. Waarschijnlijk krijgt hij die bijnaam omdat hij zo'n groot rijk bezit. Maar hij is zelf ook groot. In de middeleeuwen zijn de mensen kleiner dan nu. Karel is 1 meter 84 en steekt met kop en schouders boven de meeste mensen uit.

      Meer dan 1200 jaar geleden hoort Nederland bij het enorme Frankische rijk. Karel de Grote is de koning. Waarschijnlijk krijgt hij die bijnaam omdat hij zo'n groot rijk bezit. Maar hij is zelf ook groot. Reusachtig zelfs. In de middeleeuwen zijn de mensen namelijk veel kleiner. Karel is 1 meter 84[HS1] en steekt dus met kop en schouders boven iedereen uit.


      [HS1]Leendert van Prooijen heeft onderzoek uit 2010 gevonden waarin 1,84 cm uitkomt. Gemiddelde lengte was 1,67. Vandaag de dag zou Karel vergelijkenderwijs met de gemiddelde lengte op 1,95 zijn uitgekomen (ik ben zelf 1,97, dus misschien kunnen jullie mij voortaan aanspreken als Hubert de Grote ;-)

      De Saksen zijn Karels grootste vijanden. Zij zijn geen christenen, zoals Karel, maar geloven in Germaanse goden. De Saksen vallen steeds Frankische dorpen aan. Karel wil het land van de Saksen veroveren. Hij belooft dat hij ze niet zal doden als ze christenen worden. Omdat ze dat weigeren, laat hij hun heilige bomen omhakken. Karel laat hele gebieden verwoesten, dorpen verbranden en duizenden gevangenen onthoofden. Pas na meer dan 30 jaar geven de Saksen zich over.

    2. Tot keizer gekroond

      In Rome woont de paus. Hij is het hoofd van de kerk en dus van alle christenen. Rijke mannen vinden dat hij zijn werk niet goed doet en sluiten hem op. De paus ontsnapt uit zijn kerker en vlucht naar Karel. Die zorgt ervoor dat de paus weer de baas wordt in Rome. Als dank kroont de paus hem in het jaar 800 tot Keizer van het Avondland (Europa).

      Karel is nu de machtigste man van het christelijke Europa. Hij ziet zichzelf als opvolger van de Romeinse keizer. Het Romeinse rijk is een belangrijk voorbeeld voor hem. Dat zie je aan de kerken en paleizen die hij laat bouwen. Maar je ziet het vooral ook aan de munten die hij laat slaan. Daarop staat hij afgebeeld als een Romeinse keizer.

    3. Vader van Europa

      Na veel veldtochten is Karels rijk bijna net zo groot als Europa nu. Hij is de eerste met zo'n groot land na de Romeinen. Daarom noemen we hem ook wel Vader van Europa. Rust en eenheid is belangrijk in zo'n enorm rijk. Daarom laat Karel alle wetten en regels opschrijven en zorgt hij ervoor dat iedereen zich daaraan houdt.

      Als er in een groot land ontevreden mensen zijn, kan er een opstand uitbreken. Daarom werkt hij op allerlei manieren aan de eenheid in zijn rijk. Het christelijke geloof blijft daarbij het belangrijkst. Wie de priesters of het christendom beledigt kan zelfs de doodstraf krijgen. Ook moet er één munt komen. Tot zijn spijt lukt hem dat niet. De euro komt er pas twaalf eeuwen later, in 2002.

    4. Trouwe leenmannen

      Het is niet makkelijk om zo'n groot land te regeren. Je weet nooit of ergens een opstand uitbreekt. Maar daar heeft Karel iets op bedacht. Hij geeft rijke mensen een stuk land te leen. In ruil daarvoor zweren deze leenmannen trouw aan de koning. En ze moeten veel doen: de rust bewaren, wetten uitvoeren en soldaten sturen voor zijn leger.

      Karel reist zelf ook veel door het land om te weten wat er gebeurt. Op verschillende plaatsen in zijn rijk heeft hij een palts. Daar komt het woord 'paleis' vandaan. Er horen ook gebouwen bij voor de hofhouding en de soldaten. Om de belangrijkste gebouwen staat een muur. Daarbuiten zijn de boerderijen, die het voedsel voor de koning en zijn mensen moeten leveren. Ook in Nederland heeft Karel een palts: het Valkhof in Nijmegen. Helaas is het niet bewaard gebleven. De heuvel waarop hij stond is er nog wel.

    5. Wie schrijft die blijft

      In de middeleeuwen kunnen veel mensen niet lezen en schrijven. Zelfs de koning niet! Maar hij vindt het belangrijk dat meer mensen dat leren. Daarom moeten de monniken nieuwe letters ontwikkelen. Die zijn makkelijker te lezen. We gebruiken ze nog steeds. Ook komen er scholen voor rijke jongens. Die kunnen Karel later helpen zijn rijk te besturen.

      Een koning moet belangrijke papieren ondertekenen. Maar hoe doe je dat als je niet kunt schrijven? Speciaal voor Karel de Grote hebben de monniken een mooie handtekening bedacht. Zij schrijven het grootste deel en Karel hoeft dan nog maar 2 lijntjes te zetten.  

    6. Karels einde

      Als Karel ouder wordt wil hij niet meer zoveel reizen. Daarom zoekt hij één plek om te wonen. Hij kiest voor de stad Aken, want daar kan hij lekker zwemmen in de geneeskrachtige warmwaterbronnen. Karel de Grote sterft als hij 72 is. Dat is erg oud voor die tijd. Zijn zoon Lodewijk de Vrome volgt hem op.

      In de tijd van Karel hebben mensen nog geen achternamen. Koningen krijgen vaak een bijnaam. Die is soms wel grappig. Karels vader heet koning Pepijn de Korte en zijn moeder Bertrada met de Grote Voeten. Die bijnamen zeggen natuurlijk iets over de persoon. Karel houdt van lekker en veel eten en geld uitgeven. Zijn zoon vindt het belangrijk om als christen zuinig te zijn. Hij is een rustige, serieuze man. Tot zijn spijt lukt het Lodewijk niet om het rijk van zijn vader bijeen te houden. Het wordt verdeeld onder zijn drie zonen. Dat betekent het einde van het machtige Frankische rijk.  

    7. Hoofdstad Aken

      Karel kiest Aken als hoofdstad van zijn rijk en bouwt er zijn belangrijkste palts. Het ligt op een goede, veilige plek middenin zijn rijk en vlakbij de Ardennen. Daar kan hij lekker jagen. Aken is voor Karel het nieuwe Rome. Hij laat er een prachtige kerk bouwen. De kapel van die kerk is er nog steeds. Het is de plek waar Karel werd begraven.

      In Aken kun je nog gebouwen en voorwerpen uit Karels tijd bekijken. De prachtige dom staat op de plek waar Karel ooit zijn palts (paleis) had. In de kapel vind je een met goud beklede doodskist met de beenderen van Karel. Ook zijn marmeren troon kun je er zien. Het is alleen niet de echte, maar een kopie. In de schatkamer van de Dom worden bijzondere voorwerpen bewaard uit de tijd van Karel. Heel veel goud en edelstenen!

    8. Spannende ridderverhalen

      Na Karels dood verschijnen er veel verhalen over hem. Een van de beroemdste is 'Karel en Elegast'. Dat verhaal wordt rond het jaar 1250 geschreven - meer dan 400 jaar na zijn dood! Voor ons zijn die middeleeuwse verhalen moeilijk te lezen. De taal is heel anders en de spelling ook.

      'Karel en Elegast' begint met een droom. Een engel fluistert Karel in dat hij moet opstaan om te gaan stelen. Karel wil niet (want wat als hij betrapt wordt?), maar hij is een gelovig man, dus hij gehoorzaamt de engel toch. In het pikkedonker gaat hij naar buiten. In het bos wordt hij aangevallen door een zwarte ridder. Karel verslaat hem en ontdekt dat hij Elegast heet. Op het eind van het verhaal weet je waarom de engel Karel op pad heeft gestuurd…

    9. Witte Olifant

      Karel wil goede vrienden blijven met de landen om hem heen. Hij is rijk en geeft graag dure cadeaus. Daarmee maakt hij veel indruk op andere staatshoofden. Maar zelf krijgt hij het meest bijzondere geschenk… de witte olifant Abul Abbas. Karel krijgt hem van Harun-al-Rashid, de kalief (hoofd van de gelovigen) van Bagdad. Dit is nu de hoofdstad van Irak.

      Bagdad is de hoofdstad van het Arabische rijk. De stad is rijk door de handel. Europa heeft nog geen grote steden, maar Bagdad heeft al 1 miljoen inwoners! Karel heeft een gezantschap naar de kalief gestuurd. Die stuurt hem als teken van vriendschap de olifant. Abul-Abbas gaat mee op Karels reizen. Karel gebruikt hem misschien om de vijand te laten schrikken. In een veldslag tegen de Denen komt de olifant om het leven.

Vensterplaten

ca. 1100

Hebban olla vogala

Begin van de Nederlandse taal

    1. Een klooster in de Middeleeuwen

      In de Middeleeuwen was bijna iedereen in Nederland christelijk. Veel mannen en vrouwen gingen het klooster in: ze werden monnik of non. Binnen de kloostermuren konden ze in alle rust aan God denken en bidden. Ook schreven ze in hun schrijfzaal of scriptorium veel boeken over.

    2. Het scriptorium

      De meeste kloosters hadden een zaal waar boeken overgeschreven konden worden: het scriptorium. Daar stonden speciale schrijftafels. Ook waren er alle spullen die nodig waren om te kunnen schrijven, zoals perkament, inkt en ganzenveren.

      Boeken waren in de Middeleeuwen erg zeldzaam. Er waren nog geen boekwinkels. Als de monniken graag een bepaald boek wilden hebben, probeerden ze dat van de monniken uit een ander klooster te lenen.

      Zodra ze het exemplaar dat ze zochten gevonden hadden, schreven ze het in hun scriptorium over. Vervolgens konden ze het originele boek weer teruggeven. Zo verspreidden boeken zich langzaam over het land en zelfs over heel Europa.

      De taal waarin de monniken lazen en schreven, was Latijn. Dat was de taal van de kerk en van de geleerden. Nederlands was tot ongeveer 1170 alleen een spreektaal, geen schrijftaal. Het is daarom extra bijzonder dat er in zo'n oud kloosterboek opeens een regeltje Nederlands opduikt.

    3. Een liefdesliedje

      Gerulf is juist op weg naar zijn schrijftafel als hij door het kloostervenster een jonkvrouw langs ziet rijden. Even kijkt ze hem recht in de ogen. Meteen schieten Gerulf de woorden van een liefdesliedje te binnen. Het liedje dat zijn meisje ooit voor hem zong, thuis in het verre Vlaanderen: Hebban olla vogala…

      Of hij Gerulf heette, en of het zo gegaan is, weten we niet. Wel was er rond het jaar 1100 in een Engels klooster een monnik die een regel opschreef uit een liefdesliedje dat hij nog kende uit zijn jeugd in Vlaanderen. Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu? Oftewel: 'Alle vogels zijn al met nestjes begonnen, behalve ik en jij; waar wachten we nog op?' Het is het eerste Nederlandse liefdesliedje dat we kennen, en bovendien een van de oudste opgeschreven zinnetjes in onze taal, bijna duizend jaar oud. De Nederlandse taal is zelfs nóg ouder, maar in die tijd was het alleen een spreektaal. De schrijftaal was Latijn, de taal van de kerk en de geleerden. Geschreven Nederlandse woorden duiken maar heel soms op. Pas vanaf 1170 wordt Nederlands ook een schrijftaal.

    4. Monnikenwerk

      Tegenwoordig worden boeken gedrukt. Van elk boek bestaan dus honderden of duizenden exemplaren die er allemaal precies hetzelfde uitzien.

      Voor 1450 bestond de boekdrukkunst nog niet. Boeken werden stuk voor stuk met de hand overgeschreven. Wat een monnikenwerk!

      Boeken werden vooral in kloosters geschreven. Monniken kopieerden een boek letter voor letter. Over een gewoon boek deden ze al gauw een paar maanden en het overschrijven van een dik boek kon zelfs meer dan een jaar in beslag nemen.

      Deze monnik is trouwens niet bezig met schrijven, maar met het in kleur schilderen van tekeningen en versieringen. Dat gebeurt op bladzijden die door een andere monnik op de goede plekken al met zwarte letters volgeschreven zijn.

    5. Een romantische pennenproef

      In 1932 werd op de laatste bladzijde van een oud Engels kloosterboek een Nederlands zinnetje ontdekt. Het staat op een bladzij vol Middeleeuwse pennenproeven: woorden en zinnetjes die de monniken opschreven om te testen of hun pen na het scherp maken weer goed schreef.

      Bovenaan de bladzij staat probatio penne si bona sit. Dat is Latijn voor 'Proberen of de pen goed is'.

      Verder naar onder staat het oude Nederlandse zinnetje. Er staat (soms erg moeilijk leesbaar): Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu. Letterlijk vertaald: 'Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu?'

      Waarschijnlijk is Hebban olla vogala... als pennenproef opgeschreven door een monnik die in Vlaanderen is geboren en rond 1066 naar Engeland is gereisd. Daar is hij in het klooster terecht gekomen. Dankzij hem kennen we een Nederlands liefdesliedje van 1000 jaar oud.

      Hoewel je sommige woorden nog wel kunt herkennen, merk je aan het zinnetje ook dat de Nederlandse taal in 1000 jaar sterk veranderd is. Onze taal verandert trouwens nog elke dag...

    6. Perkament

      Tegenwoordig schrijven we meestal op papier. Maar middeleeuwse boeken zijn bijna allemaal op perkament geschreven. Perkament is speciaal bewerkte dierenhuid van een kalf, geit of schaap. Voor een dik boek als de bijbel had je wel 150 schapenvellen nodig. Perkament was dan ook heel duur.

      Hoe maak je perkament?

      • Laat eerst de huid van een kalf, geit of schaap een paar dagen in stromend water liggen, zodat die schoon en soepel wordt.
      • Dompel daarna het vel twee weken in een mengsel van kalk en water. De vleesresten aan de binnenkant en de haartjes aan de buitenkant worden daardoor helemaal zacht en laten makkelijk los.
      • Span vervolgens de huid strak op een houten raamwerk, zodat die goed en zonder rimpels kan drogen. Schraap met een scherp bijlvormig mes de allerlaatste haar- en vleesrestjes eraf. Pas op dat je er niet doorheen steekt!
      • Wrijf tot slot met een stuk puimsteen of krijt over het vel zodat het helemaal glad en goed beschrijfbaar wordt.

      De hele klus duurt in totaal zo'n zes weken, en moet voor elk vel weer herhaald worden. Je begrijpt dus wel: perkamentmaken is een tijdrovend en kostbaar werkje.

    7. Zelf inkt en verf maken

      Monniken maakten in het scriptorium hun eigen inkt en verf om mooie boeken te kunnen maken. Inkt werd gemaakt door dingen uit de natuur fijn te stampen in een vijzel en daarna met een dunne kleefstof te mengen. Van walnoten maakte je bruine, van roet zwarte en van schildluizen rode inkt.

      Het maken van verf voor de mooie versieringen gaat eigenlijk net zo.

      • Je begint met het vinden en fijnstampen van mooie kleurstoffen. Van de kostbare Lazuli-steen krijg je prachtig blauw. Met koper en azijn kan je groen maken, en bladgoud maak je door een gouden munt net zo lang plat te stampen tot het flinterdun goudpapier geworden is. (Maar jij kunt voor al deze kleuren beter gewoon stoepkrijt gebruiken).
      • Stamp elke kleur tot fijn poeder en doe ze in aparte potjes.
      • Neem een ei, splits dooier en eiwit en doe ze in twee verschillende potjes.
      • Meng een beetje eigeel met een van de kleurpoeders tot je een dikke vloeistof krijgt.
      • Gebruik de verf om een mooi schilderijtje of versierde hoofdletter te maken.
      • Als de verf goed droog is, kun je de kleuren extra laten glanzen door er met een kwast een dun laagje eiwit op te schilderen. 
    8. Schrijven met een ganzenveer

      Je schreef met een ganzenveer en een potje inkt. Als de veerpunt bot was, sneed je een nieuw puntje. Daarna eerst op een kladje even proberen of hij weer goed schrijft. Wat schrijf je dan? Het eerste dat je te binnen schiet; een liefdesliedje dat net in je hoofd zit bijvoorbeeld.

      Op deze onafgemaakte bladzij kun je goed zien hoe er in het scriptorium gewerkt werd. De schrijver heeft met zwarte inkt de gewone tekst opgeschreven. Je kunt zelfs precies zien wanneer hij zijn pen weer in de inktpot moest dopen: steeds worden de letters wat lichter, en daarna zijn ze weer even donker.

      Bovenaan de bladzij heeft hij ruimte opengelaten voor een mooi versierde hoofdletter C en voor de hoofdstuktitel die nog in rode letters geschreven moest worden. En aan de randen van de bladzijde is veel ruimte gelaten voor allerlei randversieringen en misschien wel grappige dieren en poppetjes.

      Die hoofdletter, de hoofdstuktitel en de versieringen zouden door een ander getekend moeten worden. Maar dat is hier niet gebeurd. Is de tekenaar misschien ziek geworden en gestorven? We weten het niet.

    9. Prachtige versieringen

      Middeleeuwse boeken werden, nadat de zwarte letters netjes overgeschreven waren, vaak prachtig versierd. De hoofdstuktitels werden in rode letters toegevoegd. En de eerste hoofdletter van een hoofdstuk werd vaak heel groot en mooi getekend. En ook werden er in de kantlijn allerlei grappige tekeningen gemaakt.

      De tekenaar van dit boek heeft deze mooie hoofdletter getekend. Zie je welke letter het is? In de letter heeft hij bovendien zichzelf afgebeeld, terwijl hij de letter aan het tekenen is!

      In de gaten van het tafeltje links van hem zijn vier koeienhorens met gekleurde verf gestoken. En onder zijn kwast houdt hij een bakje om de vallende verfspetters op te vangen.

      Aan de kale plek bovenop zijn hoofd, de tonsuur, kun je zien dat hij een monnik is. Boven zijn hoofd heeft hij zijn naam geschreven: broeder Rufillus.

      Op deze manier zijn heel veel Middeleeuwse boeken prachtig versierd. In veel tekeningen is zelfs bladgoud gebruikt. Kun je nagaan hoe duur die boeken waren!

    10. Zo duur als een huis

      Handgeschreven boeken waren heel kostbaar. Dat kwam vooral omdat het perkament en de kleurstoffen zo duur waren. Een mooi versierde bijbel was rond 1270 bijvoorbeeld net zoveel waard als een groot stenen huis.

      Geen wonder dat de monniken heel zuinig waren op hun boeken. Soms werden ze zelfs aan een ketting gelegd.

      Ook kom je in een boek wel eens een ernstige waarschuwing tegen:

      Wie dit boek steelt: dat hij verlamt en dat al zijn ledematen verdorren; dat hij wegkwijnt van pijnen en roept om medelijden.

      En dat er geen einde komt aan zijn folteringen, totdat hij sterft. Laat boekenwormen knagen aan zijn ingewanden.

      En wanneer hij uiteindelijk naar zijn laatste bestraffing gaat, laat het vuur in de hel hem dan voor altijd doen branden.

      Dat boek laat je als dief dus maar liever liggen...

Vensterplaten

1254-1296

Floris de Vijfde

Regeren in de riddertijd

    1. Wie werden er ridder?

      Niet iedereen kon ridder worden! Daarvoor moest je van adel zijn: je moest uit een rijke en deftige familie komen. En je moest een jongen zijn. Meisjes van adel werden jonkvrouw, zij konden geen ridder worden.

    2. Leren voor ridder

      Om ridder te worden, ging je bij een ridder in de leer als je zeven jaar was. Je werd dan een page. Een page leerde vechten met een zwaard en een dolk. Je deed ook allerlei klusjes voor de ridder: zijn paard borstelen, de honden eten geven en eten maken voor de ridder zelf.

      Als je als page genoeg had geleerd, werd je op je veertiende jaar schildknaap. Dan mocht je ook mee naar veldslagen. Je droeg het schild van je ridder. Tijdens een veldslag kon de je laten zien dat je zelf ook goed kon vechten. Als je dapper genoeg was geweest, gaf de ridder je de ridderslag. In de tijd van Floris de Vijfde kreeg je dan een klapje in je nek om goed te onthouden wat je beloofd had. Later kreeg je een tik met een zwaard op je schouder. Als je de ridderslag ontvangen had, was je zelf een ridder!

    3. Een wapenschild

      Dit is het wapenschild van Floris de Vijfde. Elke ridder had een tekening op zijn schild staan. Dat noemen we zijn wapen. Dat is dus geen wapen om mee te vechten, maar een soort logo. Dat logo was handig, want ridders vochten in een harnas. Je kon natuurlijk niet goed zien wie daarin zat! Aan het wapen op het schild kon je een ridder herkennen.

      Ridders waren heel trots op hun wapenschild. Vaak kozen ze zelf wat erop kwam te staan. Een stoer dier zoals een leeuw bijvoorbeeld! Of ze kozen speciale kleuren.
      Later gingen ridders hun wapen ook op vlaggen en andere dingen gebruiken. Wapens werden vaak familiewapens: je kreeg hetzelfde wapen als je vader. Nu gebruiken we nog steeds wapens: het wapen van Nederland bijvoorbeeld, of wapens van de provincies. Sommige families hebben nog steeds een familiewapen.

    4. Soldaten te paard

      Ridders waren soldaten te paard. Omdat ze hoog op hun paard zaten, waren ze snel en hadden ze een goed overzicht. Hierdoor waren ze moeilijker te verslaan dan soldaten te voet.

      Om zichzelf te beschermen droegen ridders een speciaal pak. In de tijd van Floris bestond dit pak uit een wapenjas, een maliënkolder en een tuniek. Een wapenjas was een jas van een dikke stof om harde klappen op te vangen. Daaroverheen kwam een maliënkolder. Dat was een jas van ijzeren ringetjes. En als laatste trok de ridder zijn tuniek aan. Dat was een lang, hemd. Daaraan kon iedereen zien voor wie je vocht. Je kunt het een beetje vergelijken met een voetbalshirt.
      Als er geen oorlog was, oefenden ridders met elkaar in toernooien. In een toernooi probeerden twee ridders elkaar met een lans van het paard af te stoten. Een lans is een lange stok met een scherpe punt eraan. Zo'n toernooi was soms best gevaarlijk. Maar wie won, behaalde er veel eer mee.

    5. Een 'riddercode'

      Je fatsoenlijk gedragen, dat vinden we tegenwoordig heel belangrijk. Wist je dat we dat van de ridders hebben geleerd? De ridders hadden een 'riddercode': afspraken over hoe je je moet gedragen. Want als een ridder bij een hoge edelman op het kasteel kwam, was dat wel belangrijk!

      De regels van de 'riddercode' gingen over veel verschillende dingen. Dat je niet mag eten met je ellebogen op tafel, bijvoorbeeld. En dat je niet door een ander heen mag praten of in je neus mag peuteren. Maar ook dat je vrouwen altijd moet beschermen en dat je niet driftig moet zijn.
      Ook gewone mensen leerden deze regels! Dat kwam doordat ze naar ridderverhalen luisterden. De ridders in deze verhalen waren altijd perfect: ze waren knap, aardig én ze deden alles volgens de regels. Zo leerden ook de gewone mensen hoe het hoorde.

    1. Graaf Floris de Vijfde

      Dit is Floris de Vijfde. Hij leefde van 1254 tot 1296. Floris was graaf van Holland en Zeeland. Een graaf is een man van adel die de macht had over een groot gebied.

    2. Floris de Vijfde vermoord

      Floris de Vijfde leefde heel lang geleden, maar veel mensen kennen nog steeds het spannende verhaal over hoe hij in 1296 op zijn eigen kasteel gevangen zat en hoe hij werd vermoord. Door wie en waarom werd Floris de Vijfde gedood?

    3. Het ontstaan van de eerste kastelen

      Om zijn gebieden te beschermen, liet graaf Floris de Vijfde overal kastelen bouwen. Bij Alkmaar, Medemblik, Wijdenes en natuurlijk het Muiderslot bij Muiden. Maar hoe zijn de eerste kastelen eigenlijk ontstaan?

    4. Een aanval op een kasteel

      Een kasteel is heel sterk. De dikke muren beschermen je tegen de vijand. Maar als die je kasteel omsingelt, zit je opgesloten! Je kunt geen kant meer op… Hoe valt de vijand aan? En hoe kun jij je verdedigen?

Vensterplaten

1356-ca. 1450

De Hanze

Handel en samenwerking

    1. De Hanze

      Dit middeleeuwse koggeschip heeft een rood-witte wimpel in top. Daaraan kon je zien dat het een Hanzeschip was. De Hanze was sinds 1356 een verbond van Noord-Europese steden die handel met elkaar dreven. Op de kaart kun je zien hoeveel steden er lid waren van de Hanze. En welke handelsroutes er over land en zee gebruikt werden.

    2. Koggeschip

      Dit is een middeleeuws koggeschip. De kogge was het eerste grote en zeewaardige schip dat in Nederland gebruikt werd: het was 15 tot 30 meter lang en in het laadruim pasten wel 200 grote tonnen met spullen. Kooplieden voeren ermee over alle Europese zeeën: over de Noordzee naar Engeland en over de Oostzee tot in Rusland.

    3. Handelaren

      De Hanze begon als een groep handelaren die samenwerkten. Ze woonden in verschillende steden en handelden in dezelfde producten. Door samen te werken konden zij goedkoper werken en met elkaar veiliger reizen. Ze konden veel producten tegelijk kopen of verkopen. Dat was extra voordelig!

    4. Tonnen met handelswaar

      Hanzekooplieden handelden vooral in zout, graan, vis, hout, wijn, bier, dierenhuiden en linnen. Veel van die spullen werden in grote tonnen gestopt. Zo waren de dure spullen veilig verpakt en konden ze gemakkelijk verplaatst worden. In het laadruim van een koggeschip pasten wel 200 tonnen.

    5. Soldaten aan boord

      Omdat de Hanzeschepen zoveel mooie en dure spullen tegelijk konden vervoeren, waren ze een geliefd doelwit van piraten. Als die een Hanzeschip konden kapen, waren ze in één klap schatrijk! Daarom voeren er altijd soldaten op de koggen mee, die het schip konden verdedigen als het aangevallen werd.

    6. Aan de IJssel

      Hanzesteden lagen bijna altijd aan het water: daar konden de koggeschepen gemakkelijk afmeren en hun handelswaren laden en lossen. In Nederland liggen de belangrijkste Hanzesteden aan de rivier de IJssel. In Zutphen, Deventer, Zwolle en (op de foto) Kampen kun je het rijke Hanze-verleden nog altijd opsnuiven.

    7. Hanzestad Kampen

      Dit is de stadspoort van Kampen. Kampen was dankzij de Hanze tot aan het einde van de Middeleeuwen een van de rijkste en machtigste steden van Europa. Dat kun je nog altijd goed zien aan de mooie huizen en de resten van de hoge muren rond de stad bijvoorbeeld.

    8. Hijskraan

      Tegenwoordig worden schepen met grote hijskranen geladen en gelost. Maar ook in de Middeleeuwen waren er al hijskranen. Ze waren van hout. Ze werden niet door motoren aangedreven, maar door menskracht! Sterke mannen liepen als cavia's in een tredmolen heen en weer om de zware spullen op te kunnen tillen en weer te laten zakken.

Vensterplaten

1469?-1536

Erasmus

Een internationaal humanist

    1. Erasmus uit Rotterdam

      Erasmus wordt rond 1466 in Rotterdam geboren als zoon van een ongetrouwde priester en zijn huishoudster: een schandaal in die tijd. Maar Erasmus wordt een van de beroemdste geleerden van Europa. Kort na zijn dood in 1536 maakt Rotterdam een houten standbeeld voor hem. Een bronzen opvolger, gemaakt in 1622, staat er nog altijd.

    2. Erasmus schreef 'Lof der Zotheid'

      In zijn bekendste boek, Lof der zotheid, spot Erasmus met de slechte eigenschappen van mensen. Ze zijn hebberig, gierig, ijdel en nemen zichzelf veel te serieus. Dat geldt ook voor bestuurders van de wereld en voor leiders van de kerk. Door net te doen alsof een zot het verhaal vertelt, probeert Erasmus te voorkomen dat iedereen boos op hem wordt.

    3. Erasmus verzamelde spreekwoorden

      Een spreekwoord is een korte uitspraak die een waarheid of wijsheid bevat. Erasmus verzamelde er meer dan 4600. Met je hoofd tegen de muur lopen, bijvoorbeeld. Of tot de tanden gewapend zijn. Of De kat de bel aanbinden. In 1559 maakte Pieter Bruegel een schilderij met deze drie spreekwoorden en nog veel meer andere. Kun je ze ontdekken?

    4. Erasmus wist hoe het hoorde

      Herken je deze jongen? Zijn moeder Beatrix zal hem vast verteld hebben, dat je niet in je neus hoort te peuteren. Dat is tegen de etiquette! Erasmus schreef in 1530 ook al een boekje met tips over hoe jongeren zich horen te gedragen. Erasmus' etiquetteboekje werd in één jaar wel 12 keer herdrukt. Het was dus erg populair. Vast alleen bij ouders...

      Terwijl prins Johan Friso met zijn neus tegen het raam staat gedrukt tijdens het…
    5. Erasmus maakte een Bijbelvertaling

      In de Middeleeuwen was er alleen een bijbel in de Latijnse taal. Erasmus had daar kritiek op. Hij vond de Latijnse vertaling niet goed genoeg. En hij vond dat ook gewone mensen de bijbel moesten kunnen lezen. Erasmus maakte een nieuwe vertaling in het Latijn, die daarna ook in het Duits en Nederlands werden vertaald. Toen kon iedereen de bijbel lezen.

    6. Erasmus was een humanist

      Erasmus was een van de eerste humanisten. Een humanist vindt dat je goed moet nadenken over hoe je met mensen, de wereld en jezelf omgaat: altijd met zorg en aandacht. Dat was toen een nieuwe manier van denken. Deze tekening van Leonardo da Vinci uit 1490 wordt vaak gebruikt als symbool van het humanisme: de mens staat in het middelpunt.

    7. Erasmus' boeken werden gedrukt

      In de Middeleeuwen werd elk boek met de hand overgeschreven. Boeken waren zeldzaam en duur. Dat veranderde in de tijd van Erasmus: rond 1450 werd de boekdrukkunst uitgevonden. Met een drukpers konden boeken sneller en goedkoper worden gemaakt. Daardoor konden veel mensen de gedrukte boeken van Erasmus kopen en lezen.

Vensterplaten

1500-1558

Karel de Vijfde

De Nederlanden worden één

Vensterplaten

1566

De Beeldenstorm

Godsdienststrijd

    1. De protestanten en de Beeldenstorm

      Protestanten heten zo omdat ze protesteren tegen de pracht en praal van de rooms-katholieke kerk. En tegen de grote verschillen tussen arm en rijk. Ook willen ze vrijheid van godsdienst. Ze worden zo boos dat ze in 1566 de katholieke kerken bestormen. Na drie maanden loopt er een spoor van vernieling door het land. Waarom een beeldenstorm?

      Niet alleen in Nederland is er een beeldenstorm, het gebeurt in heel Europa. Heiligenbeelden, glas-in-loodramen en andere religieuze voorwerpen in katholieke kerken en kloosters worden vernield. De protestanten willen al die poespas niet in de kerk. Ze vinden Gods woord in de bijbel (het evangelie) het allerbelangrijkste. De beelden en schilderijen in de kerken leiden de gelovigen alleen maar af. Daarom zien protestantse kerken er veel soberder (kaler) uit dan katholieke.

    2. Luther en Calvijn

      Maarten Luther (1483-1546) is een Duitse geleerde. Hij is katholiek, maar als hij de bijbel goed leest, wordt hij boos op zijn kerkleiders. Ze laten mensen die slechte dingen doen geld betalen en beloven hen een plekje in de hemel. Luther vindt dat mensen zelf de bijbel moeten lezen. De kerk kan je niet redden, alleen God. Hoe loopt het af met Luther?

      In 1517 publiceert Luther 95 discussiepunten over de kerkleer. Hiermee begint de Reformatie: de breuk binnen het christelijke geloof in West-Europa. Luther wil zijn kerk vernieuwen (hervormen), maar de kerkleiders zijn woedend. Ze verstoten Luther. Daarom begint hij een eigen kerk. Met Luther begint eigenlijk het protestantse geloof.

      Johannes Calvijn (Zwitserland, 1509-1564) is een andere beroemde theoloog (iemand die het geloof bestudeert). Hij is 8 jaar als Luther zijn discussiepunten (stellingen) publiceert. Calvijn is het eens met de ideeën van Luther en wordt een van de leiders van de nieuwe protestantse kerk.

    3. De Spaanse tijd

      Karel de Vijfde (1500-1558) is keizer van Duitsland, Spanje en de Nederlanden. Zo'n enorm rijk is een hele verantwoordelijkheid. Op een dag roept Karel V zijn broer Ferdinand, zijn zoon Filips en zijn beschermeling Willem van Oranje bij zich. Hij zoekt een troonopvolger. Wie zal het worden?

      Keizer Karel benoemt zijn broer Ferdinand tot keizer van Duitsland. Zijn zoon Filips wordt koning van Spanje en de Nederlanden. Dat is natuurlijk niet erg handig. Nederland en Spanje liggen meer dan 1000 kilometer van elkaar. Keizer Karel vraagt daarom Willem van Oranje om zijn zoon Filips te helpen bij het besturen van de Nederlanden. Willem heeft een kasteel in Breda en kent de Nederlanders goed. Zo gezegd, zo gedaan!

    4. Ruzie om het geloof

      Koning Filips II (1527-1598) is te streng voor het Nederlandse volk. Willem van Oranje maakt zich er niet druk over of iemand rooms-katholiek of protestants is, alle mensen mogen geloven wat ze zelf willen. Filips is het daar niet mee eens. Hij tolereert alleen het katholieke geloof. Willem en Filips krijgen hier vreselijke ruzie over. Komt het nog goed?

      Filips, hij is tenslotte de koning, pakt Willem alles af: zijn land, zijn geld en zijn kastelen. Willem en zijn vrouw Anna vluchten naar Slot Dillenburg in Duitsland, zijn geboorteplek. Het Nederlandse volk is boos en wil Willem van Oranje terug. Maar Willem blijft voorlopig veilig in Duitsland en zal later terugvechten tegen Filips. Het komt dus nooit meer goed tussen die twee.

    5. Margaretha van Parma (1522-1586) en de ‘Geuzen’

      Margaretha van Parma is de halfzuster van Filips II, de koning van Spanje en de Nederlanden. Maar twee landen besturen die zover uit elkaar liggen is lastig. Filips benoemt Margaretha in 1559 tot landvoogdes der Nederlanden. Dat betekent dat zij het land mag besturen in naam van Filips II.

      Filips moet niets hebben van de protestanten en heeft de Inquisitie ingevoerd, de rechtbank van de katholieke kerk. Iedereen die anders over het geloof denkt is een ketter en krijgt de doodstraf. Protestantse en katholieke edelen verzetten zich tegen de bloedige vervolging. In een brief, het Smeekschrift der Edelen, veroordelen zij de Inquisitie. Margaretha van Parma, bang voor onrust, geeft de edelen tijd en ruimte om hun brief aan Filips II in Spanje te overhandigen. Maar haar adviseurs noemen de edelen 'geuzen', dat bedelaars of schooiers betekent. Dit wordt later hun strijdnaam in het gevecht tegen de Spaanse overheersing.

    6. Hagenpreken

      Een hagenpreek is een kerkdienst in de open lucht. Na de Beeldenstorm (1566) treden de katholieke Spanjaarden streng op tegen de protestanten in Nederland. Ze worden ketters genoemd en mogen hun geloof niet meer belijden. Daarom gaan ze naar de hagenpreken van rondtrekkende predikanten. Bidden in de duinen.

      Al vóór de Beeldenstorm houden de protestanten bijeenkomsten in de open lucht. Ze hebben nog geen kerken en moeten zorgen dat de Spaanse overheersers niets in de gaten hebben. In de duinen van het Zeeuwse eiland Walcheren komen in 1566 zo'n 300 mensen af op de eerste grote hagenpreek. Twee dagen later trekt een tweede preek in de buurt van de stad Middelburg zelfs meer dan 1500 gelovigen. In de weken daarna zijn er hagenpreken op verschillende plaatsen in het land.

    7. De IJzeren Hertog (1507-1582)

      Filips II van Spanje vindt het maar niets, die onrust in de Nederlanden. Na het neerslaan van de Beeldenstorm stuurt hij zijn beste generaal, de hertog van Alva, er met een leger van 10.000 man op af. Vervolgingen, executies en onderdrukking zijn het gevolg. Hoe loopt dat af?

      In vijf jaar tijd worden bijna 9000 mensen ondervraagd en veroordeeld voor verraad. Door zijn schrikbewind krijgt Alva de bijnaam IJzeren Hertog. Veel edelen vluchten het land uit, ook Willem van Oranje. Vanuit het buitenland waagt Willem van Oranje met zijn broers meerdere invallen in de Nederlanden. Het antwoord van Alva is niet mis. Verschillende vrienden van Willem worden onthoofd. Uiteindelijk lukt het Alva niet de opstandelingen neer te slaan. Het Spaanse leger lijdt zware verliezen en delen van de Nederlanden worden veroverd door de opstandelingen.

    8. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)

      De Nederlanden raken in oorlog met de Spaanse overheersers. Die Tachtigjarige Oorlog bestaat uit meerdere opstanden en gevechten. Tijdens deze oorlog ontstaat er een definitieve scheiding tussen het protestantse Noorden en het katholieke Zuiden van de Nederlanden, dat onder het bewind van Spanje blijft. Wie tegen wie?

      In 1588 gaat het protestantse Noorden de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heten. De Republiek bestaat dan uit de staten: Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Holland en Zeeland. Maurits van Oranje (1567-1625), zoon van Willem van Oranje, is dan stadhouder en legeraanvoerder van de Republiek. Samen met Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619) maakt hij de Republiek sterker. Maar de strijd in de Nederlanden tegen de Spanjaarden duurt tot 1648 en gaat ten koste van heel veel levens.

Vensterplaten

1533-1584

Willem van Oranje

Van opstandige edelman tot ‘vader des vaderlands’

    1. De moord op Willem van Oranje

      Op 10 juli 1584 is er in Delft een moord gepleegd. Misschien wel de belangrijkste moord van Nederland. Wij gaan die oude moord (dat noem je een 'cold case') opnieuw onderzoeken. Het slachtoffer heette Willem van Oranje. Wie was hij? En wie waren dader en opdrachtgever? En welke bewijsstukken kun je vinden? Zoek je mee?

    2. Slachtoffer: Willem van Oranje

      Willem van Oranje (1533-1584) wordt ook wel de 'Vader des Vaderlands' genoemd. In de zestiende eeuw is hij een belangrijke edelman en de leider van de opstand van de Nederlanden tegen Spanje. Door deze gewapende strijd legt Willem de basis voor het land Nederland zoals we het nu kennen.

      Willem van Nassau wordt in 1533 geboren op een kasteel in Duitsland. Hij is de oudste zoon van de graaf van Nassau. Van huis uit spreekt Willem Duits en hij wordt opgevoed in het protestantse geloof.

      Als jongen van elf erft Willem van zijn neef het prinsdom Orange (Frankrijk). Hij mag zich voortaan 'Prins van Oranje' noemen. Omdat Willem nu een Franse edelman is geworden, moet hij van keizer Karel de Vijfde naar Brussel komen. Daar krijgt hij een Franstalige en katholieke opvoeding.

      Karel de Vijfde is erg gesteld op de jonge prins. Hij maakt hem opperbevelhebber van een leger. En als Karels zoon, Filips de Tweede, zijn vader opvolgt, wordt Willem ridder en stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

      Willem van Oranje en Filips de Tweede kunnen het lange tijd goed vinden met elkaar. Maar uiteindelijk zal deze vriend zijn grootste vijand worden...

    3. Opdrachtgever: Filips II

      Dit is Filips de Tweede. Hij is niet alleen de koning van Spanje, maar ook de baas over de Nederlanden. In 1580 zet Filips een prijs op het hoofd van de leider van de opstandige Nederlanden: Willem van Oranje. Wie Willem vermoordt, krijgt een grote beloning: 25.000 gouden munten. Ook zal hij in de adelstand worden verheven.

      Filips de Tweede volgt in 1555 zijn vader Karel de Vijfde op. Vanuit zijn paleis in Spanje regeert hij over zijn rijk. Dat rijk is heel groot. Daarom kan Filips nooit overal tegelijk zijn. Nederlandse edelen, zoals Willem van Oranje, besturen de Nederlanden in zijn naam.

      Filips heeft grootse plannen met de Nederlanden. Er moet meer eenheid komen, vindt hij. Voortaan moeten overal dezelfde wetten en regels gaan gelden. Filips geeft Spaanse 'vrienden' de banen van de Nederlandse edelen. Hierdoor krijgen de Nederlandse edelen steeds minder te vertellen. Daar zijn ze natuurlijk boos over.

      Ook wil Filips dat iedereen in zijn rijk rooms-katholiek blijft. Hij laat protestanten zwaar straffen en op de brandstapel gooien. De Nederlandse edelen vragen Filips tevergeefs een einde te maken aan deze geloofsvervolgingen.

      De Nederlandse edelen en Filips krijgen steeds vaker ruzie met elkaar. Na de Beeldenstorm in 1566 barst de bom. Filips stuurt een groot leger naar de Nederlanden.

      Willem van Oranje vlucht naar Duitsland. Daar bouwt hij een leger op. Onder leiding van hem vallen de Nederlanden de Spanjaarden aan. Het wordt het oorlog. Er wordt hard gevochten. Wel tachtig jaar lang!

    4. Dader: Balthasar Gerards

      Dit is Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje. Deze Fransman is een strenge rooms-katholiek die niets van protestanten moet hebben. Als hij hoort dat Filips de Tweede een flinke beloning belooft aan degene die Willem vermoordt, wil hij wel een poging wagen.

      Op 10 juli 1584 loopt Balthasar Gerards rond half twee met twee pistolen naar het Prinsenhof in Delft, het huis van Willem van Oranje. Hij heeft eerder die dag een afspraak met Willem gemaakt.

      In de hal wacht Balthasar Gerards Willem op. Als de prins na de lunch de eetzaal verlaat, schiet Balthasar hem van dichtbij in de borst en in zijn zij. De prins zakt door zijn knieën. Volgens de overlevering waren zijn laatste woorden: 'Mijn God, mijn God, heb medelijden met mij en dit arme volk.' Willem van Oranje is dood.

      Na de moord vlucht Balthasar Gerards het Prinsenhof uit. Maar hij wordt achtervolgd door soldaten en bedienden. Bij de stadsmuur krijgen ze hem te pakken.

      Ze verhoren Balthasar Gerards en hij wordt daarbij gemarteld. Daarna wordt hij berecht.

      De rechters besluiten dat Balthasar Gerards een verschrikkelijke dood moet krijgen. Hij wordt gevierendeeld en onthoofd. Zijn lichaamsdelen worden in de stad tentoongesteld, als afschrikwekkend voorbeeld. Maar Willem kregen ze er niet mee terug...

      Willem van Oranje wordt begraven in de Nieuwe Kerk in Delft. Daar is zijn prachtige grafmonument nog altijd te vinden.

    5. Moordwapen: radslotpistool

      Wist je dat Willem van Oranje de eerste politieke leider was die met een pistool is gedood? Balthasar Gerards gebruikte voor de moord twee 'radslotpistolen'. Een radslotpistool past onder je kleren, en je kunt het geladen met je meedragen. Een erg handig wapen dus als je een beveiligd persoon in een onbewaakt moment wil vermoorden.

    6. Plaats delict: Prinsenhof, Delft

      Willem van Oranje is vermoord in zijn eigen huis, het Prinsenhof in Delft. De plek waar een moord is gepleegd noem je de 'plaats delict'. Het Prinsenhof in Delft is nu een museum. Je kunt daar in een muur nog altijd de kogelgaten van de moord op Willem van Oranje zien zitten.

      Een paar jaar geleden is opnieuw onderzoek gedaan naar de moord op Willem van Oranje. Met schietproeven hebben ze de kogelgaten onderzocht.

      Voor het onderzoek is eenzelfde pistool gebruikt als waarmee Willem vermoord is. De onderzoekers hebben de allernieuwste technieken toegepast. Hierdoor konden ze precies uitzoeken waar Willem van Oranje stond toen hij werd neergeschoten. En waar zijn moordenaar, Batlhasar Gerards, zich bevond.

      En wat blijkt uit het onderzoek? De kogelgaten in de muur zijn groter en dieper dan de gaten die ontstonden tijdens het onderzoek. Waarschijnlijk zijn de gaten in de loop der eeuwen steeds dieper geworden omdat veel mensen eraan gevoeld hebben. Daarom zit er tegenwoordig een glazen plaatje voor de gaten.

    7. Bewijsstuk: kaart van de Nederlanden

      Nederland zoals jij dat nu kent, bestaat nog niet in de zestiende eeuw. Ons land wordt dan samen met België en Luxemburg, 'de Nederlanden' genoemd. De Nederlanden bestaan uit zeventien kleine landjes (gewesten), met elk hun eigen wetten en regels. De Spaanse koning Filips de Tweede wordt in 1555 de baas over deze Nederlanden.

      Steeds meer mensen in de Nederlanden zijn het niet eens met de manier waarop Filips de Tweede bestuurt. Onder leiding van de Nederlandse edelman Willem van Oranje komen ze in opstand.

      Willem van Oranje wil drie dingen:
      1) dat de Nederlandse edelen meer macht krijgen.
      2) dat de Nederlandse edelen gaan samenwerken.
      3) vrede tussen rooms-katholieken en protestanten.

      Er breekt een oorlog uit die wel tachtig jaar zal gaan duren. Later zijn we die oorlog de 'Tachtigjarige Oorlog' gaan noemen.

      Na de moord op Willem in 1584 lijkt het even alsof hij niks bereikt heeft. Maar nog geen vijfentwintig jaar later zijn de opstandige Noordelijke Nederlanden (ongeveer het gebied dat we nu Nederland noemen) samen één land. Willem van Oranje wordt sinds die tijd 'Vader des Vaderlands' genoemd.

    8. Bewijsstuk: geuzenpenning

      Dit is een geuzenpenning. Deze is gemaakt in 1572. 'Geus' is een bijnaam voor iemand die in de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden vecht. Aan de kant van Willem van Oranje dus. Geus betekent eigenlijk armoedzaaier of schooier. Maar de geuzen zijn trots op hun naam! Ze dragen een geuzenpenning om hun nek, zodat iedereen ze kan herkennen.

      De groep geuzen die vanaf schepen vechten, worden 'watergeuzen' genoemd. In 1572 veroveren de watergeuzen de plaats Den Briel (nu: Brielle, bij Rotterdam) op de Spanjaarden. Ze hebben met Willem van Oranje afgesproken dat zij de Spanjaarden vanaf zee zullen aanvallen. Maar dan raken hun schepen onverwachts in een storm verzeild. Ze komen per ongeluk terecht voor de haven van Den Briel.

      De watergeuzen horen dat de Spaanse soldaten op dat moment de stad uit zijn. Den Briel wordt dus niet verdedigd! In naam van Willem van Oranje nemen ze de stad in.

      Den Briel is de eerste stad in de Nederlanden die zich officieel bij Willem van Oranje aansluit. Hierna volgen al snel andere steden. De opstand breidt zich nu in een rap tempo uit over de Nederlanden.

    9. Bewijsstuk: 'Plakkaat van Verlatinghe'

      In 1581 schrijven een aantal Nederlandse gewesten het 'Plakkaat van Verlatinghe'. Dat is een soort brief. In de brief schrijven ze dat de Spaanse koning Filips de Tweede niet langer hun koning mag zijn. Ze gaan op zoek naar een nieuwe koning. Je zou dus kunnen zeggen dat het de onafhankelijkheidsverklaring van Nederland is. Een heel belangrijk stukje papier!

      De opstandige gewesten schrijven het 'Plakkaat van Verlatinghe' nadat Filips de Tweede een prijs heeft gezet op het hoofd van hun leider, Willem van Oranje. Ze voeren al een tijdje een gewapende strijd tegen Filips de Tweede en nu is hij volgens hun echt veel  te ver gegaan.

      In het 'Plakkaat van Verlatinghe' leggen de opstandige gewesten uit dat het volk er niet is ten dienste van de koning, maar dat de koning er juist is voor het volk. Hij is het verplicht om goed voor zijn volk zorgen. Hij moet ze rust en veiligheid bieden.

      Als een koning niet goed voor zijn volk zorgt, maar de mensen angst aanjaagt, dan is hij geen koning maar een dwingeland en een tiran. Zijn volk heeft dan het recht om de koning afzetten.

      Wist je dat dit een erg moderne manier van denken is voor die tijd? Bijna tweehonderd jaar later hebben de Amerikanen de ideeën uit het 'Plakkaat van Verlatinghe' gebruikt voor hun eigen onafhankelijkheidsverklaring.

    10. Bewijsstuk: het Wilhelmus

      Willem van Oranje voert de strijd tegen Spanje niet alleen met wapens. Hij vecht ook nog op een andere manier: via folders, strijdliederen en spotprenten. Aan die strijd hebben we ons volkslied, het Wilhelmus, te danken. Het lied gaat helemaal over Willem van Oranje.

      Het Wilhelmus is eigenlijk een gedicht dat gezongen werd. Waarom? Als je tekst laat rijmen en op muziek zet, kun je het veel beter onthouden. Erg handig als je een belangrijke boodschap wil overbrengen in een tijd waarin de meeste mensen niet kunnen lezen en schrijven!

      We weten niet precies wie het Wilhelmus geschreven heeft. Vaak wordt gedacht dat een vriend van Willem van Oranje, de edelman Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, de schrijver is. Maar dat is niet helemaal zeker.

      Wist je dat het Wilhelmus een heel lang gedicht is? Het bestaat uit 15 coupletten. Als je van elk couplet de eerste letter opschrijft, heb je de naam 'Willem van Nassau'.

      Hoeveel coupletten van het Wilhelmus ken jij?

Vensterplaten

1588-1795

De Republiek

Een unieke regering in Europa

Vensterplaten

1602-1799

De VOC

Handel over zee

    1. De VOC

      In 1602 werd de 'Verenigde Oost-Indische Compagnie' opgericht. De VOC kreeg, als enige in Nederland, het recht om handel te drijven in Azië. In naam van Nederland mocht de VOC verdragen sluiten en oorlogen beginnen. Ze mocht zelfs regeren over de gebieden die ze veroverde.

      De Verenigde Oost-Indische Compagnie is de eerste multinational ter wereld. Een multinational is een bedrijf met vestigingen over de hele wereld. Shell en Philips zijn goede voorbeelden van Nederlandse multinationals van nu.

      De Verenigde Oost-Indische Compagnie heeft bijna tweehonderd jaar bestaan. Maar aan het einde van de achttiende eeuw ging het steeds slechter met de VOC. De winsten liepen terug en er was corruptie. De bestuurders van de VOC vulden liever hun eigen zakken dan die van de compagnie.

      Daarnaast was er vooral veel concurrentie van de Engelsen. In 1799 ging de VOC failliet. Het avontuur van het grootste handelsbedrijf ter wereld is voorgoed voorbij.

      Er zijn veel brieven, rapporten en reisverslagen uit de VOC-tijd bewaard gebleven. Daarom weten we best veel over deze tijd.

    2. Nederlands Oost-Indië

      Het eilandenrijk Indonesië ligt aan de andere kant van de wereld. Vanaf 1602 krijgt de VOC er steeds meer invloed. Op het eiland Java bouwen ze een nieuwe hoofdstad: Batavia. Op de Indonesische eilanden worden kostbare kruiden (zoals peper, nootmuskaat, kruidnagels en kaneel) geoogst, die in Nederland voor veel geld kunnen worden verkocht.

      Tot aan de tijd van Napoleon is de VOC de baas in Indonesië. Maar in 1799 gaat de VOC failliet. Alle overgebleven bezittingen worden eigendom van de Nederlandse staat.

      Vanaf 1815 (na de Franse tijd) worden de Indonesische eilanden officieel een kolonie van Nederland: Nederlands-Indië. Nog honderddertig jaar lang zijn de Nederlanders de baas in Nederlands-Indië.

      Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, op 27 augustus 1945, roepen de Indonesiërs de onafhankelijkheid uit. Sindsdien is Indonesië een zelfstandig land.

    3. Ja(ya)karta en Batavia

      In 1619 verwoestte de VOC de stad Jayakarta, op het Indonesische eiland Java. Op de puinhopen bouwden ze Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië. Alle VOC-vestigingen in Azië werden van hieruit bestuurd. Sinds de onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 heet de stad weer Jakarta; het is nu de hoofdstad van Indonesië.

    4. De route naar 'de Oost'

      In 1498 voer voor het eerst een Europeaan langs de zuidpunt van Afrika naar Indië: Vasco da Gama uit Portugal. Al snel wist iedereen dat je daar heerlijke en kostbare kruiden kon halen. Maar het duurde nog een eeuw, tot 1596, voor het ook Nederlanders lukte om via dezelfde route Indië te bereiken. Zes jaar later werd de VOC opgericht.

      De route over zee langs Zuid-Afrika was lang en gevaarlijk. Je had goede zeekaarten nodig om te zien waar je was, en om gevaarlijke rotsen te vermijden. En je had navigatie-instrumenten nodig om op volle zee te kunnen bepalen waar je schip precies was. Alleen zeer ervaren zeelui hadden de kennis om die tocht goed te volbrengen.

      Lange tijd hebben de Nederlanders geprobeerd om via een andere route naar Indië te varen. Ze wilden het proberen boven Rusland langs, door de poolzee. Willem Barentsz was een kapitein die dat drie keer geprobeerd heeft. Maar ze kwamen steeds weer vast te zitten in het ijs. De derde keer moesten hij en zijn bemanning de barre winter doorbrengen op het eiland Nova Zembla. Willem Barentsz overleed daar, maar een deel van de bemanning wist uiteindelijk Nederland weer te bereiken.

    5. Held of tiran?

      Jan Pieterszoon Coen was een belangrijke man bij de VOC. In Nederland werd hij als held vereerd, maar bij de inwoners van Indonesië stond hij bekend als een tiran. Jan Pieterszoon Coen vermoordde de mensen van de Molukse Banda-eilanden toen ze het waagden hun specerijen te verkopen buiten de VOC om.

      Muskaatnoten groeiden alleen op de Banda-eilanden. Nootmuskaat was een duur specerij. Daarom wilde de VOC het alleenrecht op de handel in nootmuskaat.

      De VOC maakte een afspraak met de Banda-eilanden: jullie mogen de nootmuskaat alleen aan ons verkopen. In ruil daarvoor krijgen jullie rijst en kleding van ons. Maar de VOC kwam haar afspraak niet na. De Bandanezen leden honger. Daarom besloten ze de nootmuskaat toch aan anderen te verkopen.

      Toen Jan Pieterszoon Coen daar achter kwam, trok hij met een groot leger naar de Banda-eilanden om ze een lesje te leren. De soldaten van de VOC vermoordden toen bijna alle Bandanezen. Andere mensen werden gedwongen om voortaan op de Banda-eilanden nootmuskaat te komen verbouwen.

    6. De schepen van de VOC

      Voor de VOC-reizen van en naar Indië werden 'spiegelretourschepen' gebruikt: driemast-zeilschepen van zo'n 40 meter lang en 10 meter breed. Een enkele reis duurde 8 maanden, een 'retour' soms wel 2 jaar. Er zijn in twee eeuwen bijna 100 spiegelretourschepen gebouwd. Sommigen vergingen al op hun eerste reis.

      Wist je dat ze er in die tijd 'maar' vijf tot acht maanden over deden om zo'n groot schip met de hand te bouwen? Er werd veel aandacht besteed aan de platte achterkant van het schip: die werd de 'spiegel' genoemd. De spiegel werd altijd prachtig versierd met houtsnijwerk en goudverf.

      Een schip kostte tussen de 90.000 en 110.000 florijnen (nu zo'n miljoen euro), en kon zo'n acht reizen op en neer naar Nederlands-Indië maken voor het versleten was. Maar niet veel schepen haalden dat: vaak vergingen de schepen op een van hun lange, gevaarlijke reizen over de wereldzeeën.

      Bekende VOC-schepen zoals 'De Batavia' en 'De Amsterdam' zijn in onze tijd precies nagebouwd. Wil je ook wel eens zo'n schip in het echt zien? Op de Bataviawerf in Lelystad kun je een reconstructie van 'De Batavia' (op de foto) bewonderen en bij het Scheepsvaart Museum in Amsterdam ligt 'De Amsterdam'.

    7. Schatrijke handelaars

      De koopman zorgde voor het inkopen van de kostbare handelswaar. Voor peper en andere specerijen betaalde men in Europa minstens zes keer de kostprijs. De kooplieden werden schatrijk van de handel in goederen uit Azië. Dat geld gaven ze in Nederland uit aan mooie huizen en dure spullen. De 17e eeuw wordt daarom ook wel de Gouden Eeuw genoemd.

      Petronella Oortman was de vrouw van VOC-koopman Johannes Brandt. Zij heeft in 1686 dit prachtige poppenhuis laten maken; het was precies zo ingericht als hun eigen kostbare Amsterdamse grachtenhuis. In die tijd was een poppenhuis geen kinderspeelgoed, maar een liefhebberij van volwassen vrouwen.

      Bijzonder aan het poppenhuis van Petronella is dat alle onderdelen precies op maat zijn gemaakt, op dezelfde manier en in hetzelfde materiaal als hun echte spullen. Petronella bestelde mini-porselein in China en liet meubelmakers, glasblazers, zilversmeden, mandenmakers en kunstenaars haar poppenhuis aankleden: een zeer kostbare zaak. Haar poppenhuis kostte indertijd evenveel als een echt grachtenpand!

      Het poppenhuis van Petronella Oort is nog altijd te bewonderen in het Rijksmuseum in Amsterdam.

    8. Peperdure handelswaar

      Europeanen waren dol op specerijen uit Oost-Indië. Voor kruiden als nootmuskaat, kaneel, kruidnagel en zwarte peper betaalden ze graag veel geld. Op deze 'peperdure' producten maakten de VOC-kooplieden dus veel winst! Maar de schepen brachten ook andere handelswaar mee, zoals koffie, thee en prachtig serviesgoed van kostbaar porselein.

    9. Overal vijanden

      Tijdens de reis werden de VOC-schepen vaak aangevallen door zeerovers, of door vijandelijke handelsschepen uit bijvoorbeeld Spanje en Portugal. Die wilden allemaal de kostbare handelswaar in handen krijgen. Daarom werden de VOC-schepen bewapend met kanonnen en voeren ze vaak 'in konvooi' (met een groepje schepen tegelijk).

    10. Voedsel aan boord

      VOC-schepen waren vaak maanden achter elkaar op volle zee. Koelkasten waren er nog niet. Daarom werd er vooral eten meegenomen dat lang houdbaar was, zoals gezouten vlees, zuurkool en scheepsbeschuit. Maar ook dat raakte soms bedorven. En in het drinkwater, dat in grote tonnen bewaard werd, kwamen vaak wormpjes. Maar er was niks anders!

      Om toch aan vers voedsel te komen, maakten de schepen tussenstops. Halverwege de route, op het zuidelijkste puntje van Afrika, lag 'Kaap de Goede Hoop'. De VOC bouwde er een fort en er werden grote moestuinen aangelegd, zodat de schepen verse groenten en fruit konden inslaan.

      De kok bereidde het voedsel in de scheepskeuken: de kombuis. Het beste voedsel was voor de kapitein, de scheepsofficieren en de kooplieden. De rest van de bemanning at heel wat eenvoudiger.

      Als er wat te vieren was, kreeg de hele bemanning van de kapitein een beker sterke drank: een 'oorlam'. Dat gebeurde bijvoorbeeld als het schip voor het eerst de evenaar passeerde.

    11. Scheepsjongens

      Elk VOC-schip had een paar scheepsjongens aan boord: jongens tussen de 10 en 17 oud, die allerlei ondankbare klusjes moesten opknappen. Een van de bekendste is Michiel de Ruyter, die op zijn elfde voor het eerst als scheepsjongen uitvoer, en het uiteindelijk tot admiraal van de hele Nederlandse vloot schopt.

    12. Doodziek...

      Varen bij de VOC was gevaarlijk. Flinke kans dat je de tocht van of naar Indië (enkele reis: 8 maanden) niet overleefde. Je schip kon worden aangevallen door zeerovers of in een zware storm terecht komen. Ook lagen ongelukken op de loer. Maar de kans dat je onderweg stierf aan een ziekte was het grootst. 'Scheurbuik' was aan boord de meest gevreesde ziekte.

      Zieken werden in een aparte ruimte voorin het schip gelegd: de ziekenboeg. Daar werden ze verzorgd door de scheepsdokter of chirurgijn. Maar die had lang niet altijd de juiste kennis of medicijnen om de zieke te kunnen genezen.

      Scheurbuik kreeg je door tekort aan vitamine C. In groente en fruit zit veel vitamine C, maar dat bleef zonder koelkast aan boord niet lang goed. Door vitaminegebrek kreeg de bemanning eerst hevige buikpijn en ontstoken tandvlees. Daarna werden hun benen dik en kregen ze blauwe plekken (zoals op de tekening, gemaakt door een scheepsdokter in 1841). Als hun tanden eruit begonnen te vallen was de dood nabij. De meeste scheurbuikpatiënten stierven kort daarna.

      Maar er konden aan boord ook andere ziekten uitbreken. De bemanning leefde dicht op elkaar en er was weinig aandacht voor hygiëne. Besmettelijke ziekten als buikloop en vlektyfus kwamen dan ook geregeld voor.

      Als er iemand aan boord dood ging, werd hij van top tot teen in zeildoek gewikkeld en dat pakket werd verzwaard met een steen. De hele bemanning werd aan dek geroepen en er werd een gebed uitgesproken. Daarna sprak de kapitein "Een twee drie, in Gods naam" en de dode werd overboord gezet.

Vensterplaten

1612

De Beemster

Nederland en het water

    1. Het Beemstermeer

      De naam Beemster is afgeleid van Bamestra, een riviertje in het gebied. Rond het jaar 800 bestaat dit gebied uit veengrond. De bewoners graven het veen af en gebruiken het als brandstof. Door het afgraven van het veen in combinatie met stormvloeden ontstaat er een groot meer met een open verbinding naar de zoute Zuiderzee (nu IJsselmeer).

      Wist je dat?

      De naam Bamestra komt nog steeds voor in het gebied: de Bamestra IJsclub in Zuiderbeemster en de Bamestraweg in Middenbeemster.

    2. Een goede investering

      Dit is een kaart van het Beemstermeer uit 1607, gemaakt door Pieter Cornelisz. Cort. Het is dan nog een enorm meer van meer dan 8500 voetbalvelden groot. Maar in hetzelfde jaar besluit een groep burgemeesters en Amsterdamse rijkelui het Beemstermeer droog te leggen. Waarom?

      Het gevaar van water en het snel groeiende Amsterdam zijn de belangrijkste redenen voor het droogleggen van de Beemster. Door de uitbreiding van de stad heeft Amsterdam steeds meer monden te voeden. Goede landbouwgrond is daarom hard nodig. En de rijke kooplieden zoeken naar goede investeringen om nog meer geld te verdienen. Land is immers veel meer geld waard dan water. De investeerders verdelen de grond onder zichzelf. Ze betalen 247 gulden voor een stuk grond van ongeveer 100 x 100m. Het blijkt een goede investering. Omgerekend naar nu kost het droogleggen van de Beemster bijna 1 miljoen euro, maar het leverde veel meer op.

    3. Van water naar land

      Tussen 1607 en 1612 wordt het Beemstermeer helemaal droog gelegd en ontstaat er een polder. Rond het Beemstermeer wordt een hoge dijk van 38 kilometer lang gelegd. In die tijd zijn er nog geen graafmachines dus alles gebeurt met de hand. Duizenden mensen zijn twee jaar bezig met schep en kruiwagen. Stel je dat eens voor! Hoe werkt dat dan?

      Eerst wordt er een ringvaart gegraven langs het meer. Dat is een soort kanaal. Met de grond van de ringvaart wordt een dijk gebouwd tussen het meer en de ringvaart. Zo kan het water uit de ringvaart niet zomaar terug in het meer stromen. Daarna begint het leegpompen van het meer. Voor het Beemstermeer worden maar liefst 43 windmolens gebruikt. Deze oer-Hollandse molens pompen al het water uit het meer, zo de ringvaart in. En dan is er vruchtbare landbouwgrond.

    4. Jan Adriaanszoon Leeghwater (1575-1650)

      Dit is Jan Adriaanszoon Leeghwater. Hij is de zoon van een timmerman uit de Rijp in Noord-Holland. Zelf is hij timmerman, molenbouwer, ingenieur, architect en kunstenaar. Hij maakt molens, meubels, uurwerken en tekeningen. Een belangrijke uitvinding van hem is de achtkantige molen met de bovenkruier. Een bovenkruier?

      Door de bovenkruier konden de wieken van de molen altijd loodrecht op de wind gezet worden. En dat geeft de beste energie-overdracht. Slim hè!

      Wij kennen Jan Adriaanszoon Leeghwater vooral vanwege de drooglegging van De Beemster, de Schermer en de Purmer. Daarom heet hij ook Leeghwater. En dat is geen toeval. In die tijd kon je namelijk nog gewoon je eigen achternaam kiezen. Hij had natuurlijk ook de naam Molenbouwer kunnen kiezen of Timmerman. Weet jij nog een andere toepasselijke naam?

    5. Droge voeten krijgen en houden

      Om het Beemstermeer droog te maken zijn steeds drie molens op een rij nodig. Dit noemen we een molengang. De molens geven het water aan elkaar door. Elke molen brengt het water 1,5 meter hoger. Het water uit het Beemstermeer moet 4,5 meter omhoog gepompt worden tot de bodem droog ligt: dat is dus 3 x 1,5 meter. En dan?

      In Nederland liggen veel polders. Als je niks doet, lopen de polders vanzelf weer onder. Bijvoorbeeld met regenwater. Vroeger gebruikte men windmolens om die polders droog te maken. Dit noemen we poldermolens. In de negentiende eeuw worden deze molens vervangen door stoomgemalen en weer later door dieselgemalen en elektrische pompen. Dat is veilig, want ook zonder wind werken ze gewoon.

    6. Waterbeheer

      Van water land maken, daar zijn Nederlanders goed in. Ook koning Willem-Alexander draagt een steentje bij. De koning is niet alleen een groot waterliefhebber, maar heeft er ook echt verstand van. Hij wil mensen bewuster maken van het belang van water en denkt mee over watervraagstukken en waterbeheer. Waterbeheer in de Beemster, hoe zit dat?

      Waterschap 'De Waterlanden' zorgt voor het waterbeheer in de Beemster, Purmer en Wormer. Zo'n waterschap zorgt onder andere voor het onderhoud van de dijken, de hoeveelheid en de kwaliteit van het water en de onderhoud van de vaarwegen. De Beemster bestaat uit meer dan vijftig stukjes land. Elk stuk heeft zijn eigen waterpeil. Landbouwers willen graag een laag waterpeil. Dorpsbewoners juist niet, omdat anders de palen onder hun huizen kunnen verrotten. Het ideale waterpeil voor veeboeren zit daar tussenin. Vroeger pompten ze alleen water weg om problemen te voorkomen. Tegenwoordig pompen ze er in droge perioden ook weleens water in. Dit water komt dan uit het IJsselmeer.

    7. UNESCO-Werelderfgoed

      De Beemsterpolder is een uniek landschap. Een goed voorbeeld van hoe Nederlanders grote delen van Nederland zelf hebben 'gemaakt'. De Beemster staat daarom sinds 1999 op de UNESCO-Werelderfgoedlijst, samen met nog meer bijzondere creaties van de mens, zoals de Amsterdamse grachtengordel, de Chinese Muur en het Colosseum in Rome.

      De UNESCO is een organisatie van de Verenigde Naties. Ze richt zich speciaal op onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie. Zij heeft in 1972 een werelderfgoedverdrag opgesteld. Wanneer je dit verdrag als land ondertekent, dan zeg je dat je er alles aan doet om in jouw land bijzondere landschappen, plaatsen en gebouwen te bewaren voor de generaties na ons. Er staan negen Nederlandse erfgoedplekken op de Werelderfgoedlijst en één op Curaçao. Kijk op: https://www.unesco.nl/cultuur/werelderfgoed

    8. Recht toe, recht aan!

      Nieuw land kun je inrichten naar eigen wens. De Beemster bestaat uit rechthoeken van ongeveer 185 meter breed bij 930 meter lang. Vijf van deze rechthoeken naast elkaar vormen een vierkant. Kanalen en wegen wisselen elkaar af en kruisen elkaar. Overal om je heen kaarsrechte wegen en sloten, wel zo overzichtelijk.

      Dit schaakbordpatroon (castra-model) zien we ook bij de Romeinen. Op de kruising van de twee hoofdwegen lag het forum, het centrum van een Romeinse stad. Het dorp Middenbeemster ligt ook op een kruising van hoofdwegen. Zouden ze geïnspireerd zijn geweest door de Romeinen? Ook in moderne steden is zo'n schaakbordpatroon terug te vinden, zoals Manhattan in New York.

Vensterplaten

1613-1662

De grachtengordel

Groei van de steden

    1. De Amsterdamse grachtengordel

      Toeristen komen graag naar Amsterdam. Eén van de belangrijkste bezienswaardigheden is de 17de-eeuwse grachtengordel. Langs de grachten staan huizen met prachtige gevels. Samen met de bomen en bruggen doen die het goed op de foto. Sinds 2010 staat de grachtengordel zelfs op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Wat maakt de grachtengordel zo bijzonder?

      De grachtengordel is een uniek stelsel van grachten, sluizen en bruggen. Het hele plan voor deze stadsuitbreiding is bedacht op de tekentafel: niet alleen mooi, maar vooral ook praktisch. De goederen moeten namelijk makkelijk bij de pakhuizen gebracht kunnen worden. Amsterdam wordt in de 17de eeuw niet voor niets het pakhuis van de wereld genoemd. Maar het Amsterdam moet ook een fijne en chique omgeving zijn om in te wonen.

    2. De Gouden Eeuw

      De grachtengordel hebben we te danken aan de bloeiende handel in de 17de eeuw. De rijke kooplieden besturen ook de steden en de provincies. Machtige mannen dus. De Nederlandse schepen varen door heel Europa voor graan, hout, wol en huiden. Maar ze halen ook kruiden en andere kostbare producten uit Azië, West-Afrika, de Caraïben en Noord- en Zuid-Amerika.

      In een korte tijd worden enkele families in Amsterdam heel erg rijk door deze handel in exotische producten. In 1602 wordt namelijk de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht en in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC). Deze handelsmaatschappijen sturen schepen naar alle hoeken van de wereld om handel te drijven - zelfs in mensen. De goederen die de schepen mee terugnemen zijn zeldzaam in Europa. Ze worden voor veel geld verkocht. Ook de drooglegging van de Beemster was een goede investering. De nieuwe vruchtbare grond bracht al snel veel geld op.

    3. Amsterdam handelsstad

      Amsterdam begint in de middeleeuwen als een moerassig dorp aan de rivier de Amstel. Rond 1250 bouwen mensen een dam in de Amstel. Die wordt de Aemster-dam genoemd en is de eerste verbinding tussen beide kanten van de Amstel. De Dam is nu het bekendste plein van de stad. Pas in de 17de eeuw groeit de stad uit tot een grote handelsstad.

      Handelsschepen kunnen Amsterdam gemakkelijk in- en uitvaren via de Zuiderzee (nu IJsselmeer). Steeds meer schepen leggen aan in de haven van Amsterdam. De bloeiende handel brengt welvaart en voorspoed. Het rijke Amsterdam trekt eind 16de eeuw steeds meer mensen door de godsdienstvrijheid en de handel. Maar er is binnen de stadsmuren niet genoeg plek. Daarom bouwen mensen hun huis buiten de stadsmuren. Dat is gevaarlijk: er is geen bescherming tegen vijanden. De bestuurders van de stad vinden het ook niet fijn want ze lopen belasting mis. Daarom kiezen ze voor een stadsuitbreiding.

    4. Uitbreiding van de oude stad

      De grachtengordel is geen natuurlijk water, maar door de mens gemaakt. Dit stelsel van waterwegen heeft drie functies: waterbeheersing, transport en verdediging tegen vijanden. De ideeën van Hendrick Jacobszoon Staets, de stadstimmerman zijn erg belangrijk geweest voor het ontwerp. Er is zelfs een brug in de Herengracht naar hem vernoemd.

      Het nieuwe deel van de stad moet mooi worden. Deftige huizen voor de rijke kooplieden en een plek voor de gewone arbeiders. Maar te groot is ook niet goed. Dan wordt de stadsmuur zo lang dat je hem niet meer goed kunt verdedigen. Samen bedenken de bestuurders en de stadstimmerman de grachtengordel: drie grachten rondom de oude stad en aan de rand de Jordaan. Daaromheen komt een nieuwe stadsmuur. De uitbreiding van Amsterdam in de 17de eeuw start in 1613. Na bijna 50 jaar volgt de tweede fase. De grachten worden doorgetrokken tot aan de andere kant van de Amstel.

    5. Het ontwerp van H.J.Staets

      De Gouden Bocht is één van de deftigste stukjes van de Herengracht. Hij is niet rond, maar hoekig. Het is een idee van stadstimmerman Staets, die het ontwerp maakt voor de grachtengordel. Hij vindt strakke vormen mooi en praktisch. Want aan een ronde gracht kun je geen rechte huizen zetten, dat past niet.

      Het plan voor de nieuwe stad is helder. De gracht die het dichtst bij de oude stad ligt, moet de deftigste gracht worden: de Herengracht. Over die gracht worden voor het eerst stenen bruggen gebouwd, in plaats van houten. Tussen de drie grote grachten, de Herengracht, de Keizersgracht en de Prinsengracht, komen iets kleinere huizen. Daar kunnen bijvoorbeeld wevers en winkeliers wonen. Zij zijn niet rijk, maar ook niet zo arm dat ze in de Jordaan hoeven te wonen, de aparte wijk voor de gewone man. Want arm en rijk - dat mengt niet echt.

    6. De aanleg van de grachtengordel

      Bij elke stadsuitbreiding schuift de grens van de stad meer richting Haarlem. Dit is de vierde Haarlemmerpoort in 1618. Hij maakt deel uit van de nieuwe vestingwerken die horen bij de aanleg van de grachtengordel. In 1840 wordt deze poort vervangen door de huidige poort aan het Haarlemmerplein.

      De nieuwe vestingwerken bestaan uit een vestingwal met 26 bastions en acht poorten. Na het aanleggen van de nieuwe vestingwal breken de arbeiders de oude wal af en beginnen met het graven van de grachten. Het land is erg drassig in en om Amsterdam. Stenen huizen zouden wegzakken in de bodem. Daarom slaan (heien) ze palen zover in de grond, tot ze op een stevige grondlaag staan. Om de grachten te kunnen graven worden delen van de stad ontruimd. De kleine bedrijfjes, immigranten en arbeiders moeten naar de Jordaan, de wijk voor de gewone man.

    7. Een huis om mee te pronken

      Grachtenpanden zijn heel hoog en herkenbaar aan een bijzondere gevel. Er zijn verschillende soorten gevels, zoals de trapgevel, halsgevel en klokgevel. Op de gevel zie je een hijsbalk met daaronder een luik. Goederen of meubels worden met een touw naar boven of beneden getakeld. Handig bij verhuizingen, want de trappen zijn veel te smal.

      Grachtenpanden hebben vaak vier verdiepingen en een tuin. Dat is in de 17de eeuw iets nieuws, groen in de stad! Als je een dubbel grachtenpand hebt én een koetshuis, dan wordt je huis zelfs een stadspaleis genoemd. De onderste verdieping ligt lager dan de weg en heet een souterrain. Daar zijn de keuken en het washok. De bedienden hebben er een eigen ingang. De eerste etage heet de 'bel-etage'. Daar zijn de 'pronkkamers'. Je moet eerst buiten een trap op om naar binnen te gaan. Handig voor de deftige bewoners - als de gracht overstroomt houden zij tenminste droge voeten.

    8. Wonen in een grachtenpand

      Alleen de rijkste burgers, zoals kooplieden of stadsbestuurders, kunnen in de 17de eeuw een grachtenpand kopen. Ze kosten een kapitaal, maar dan heb je ook wat! Iedereen kan aan je huis zien dat je veel geld hebt. Aan de Keizersgracht nummer 672 vind je het huis van de Amsterdamse regentenfamilie Van Loon. Het is nu een museum. Hier voel je nog steeds de sfeer van de Gouden Eeuw.

      In museum Van Loon zie je prachtig zilverwerk, meubels, porselein en natuurlijk familieportretten. Bijvoorbeeld het portret van Willem van Loon, een van de oprichters van de VOC in 1602. De tuin is in 17e-eeuwse stijl, met achterin het koetshuis. Een echt stadspaleis dus. Tegenwoordig kost een appartement in een grachtenpand aan de Keizersgracht al snel een miljoen euro of meer! Net als in de 17de eeuw kunnen alleen heel rijke mensen dit kopen. Je vindt dan ook veel advocaten, artsen en bedrijven in de grachtengordel.

    9. Te groot

      De ontwerpers willen de grachtengordel helemaal volbouwen met huizen. Maar er zijn niet genoeg opdrachtgevers voor het bouwen van zulke dure panden. Een deel van de grachtengordel blijft daarom leeg. Het stadsbestuur bedenkt daar een oplossing voor. Waar geen huizen staan, moet een grote tuin komen: de Plantage. In deze stadstuin kunnen rijke mensen wandelen en ontspannen.

      In de Plantage komt ook een botanische tuin. Dat is een tuin met heel bijzondere planten uit andere delen van de wereld. En in 1838 komen er ook dieren bij! Daarom heeft Amsterdam nu een dierentuin middenin de stad, Artis. In de 20ste eeuw is er meer ruimte nodig voor het verkeer. Bijna de helft van het vaarwater in Amsterdam wordt gedempt om straten en parkeerplaatsen te maken. Maar gelukkig is in 1901 de Reguliersgracht met de zeven bruggetjes gered door fel protest van de bevolking.

Vensterplaten

1583-1645

Hugo de Groot

Bedenker van het moderne volkenrecht

    1. Hugo de Groot

      Dit is Hugo de Groot. In Nederland kennen de meeste mensen hem als de man die in een boekenkist uit Slot Loevestein ontsnapte. Hugo is een beroemde Nederlander aan wie we veel te danken hebben. Hij heeft wel vier standbeelden gekregen! Ze staan in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Delft.

      Hugo de Groot wordt geboren in 1583 in Delft. Hij is een echt wonderkind. Op z'n achtste al schrijft hij gedichten in het Latijn. Dat is de taal van de geleerden in die tijd. En op z'n elfde gaat hij naar de universiteit om te studeren. Hugo wordt een van de beroemdste geleerden in de rechten en hij schrijft ook boeken. Hij wordt een belangrijke man in Nederland.
      Nederland wordt in die tijd geleid door twee mannen. De eerste is prins Maurits van Oranje Nassau. Hij staat aan het hoofd van het leger en is de belangrijkste edelman van ons land. De ander is Johan van Oldenbarnevelt. Hij is de belangrijkste politicus van Holland, een soort minister president.
      Hugo is een goede vriend en adviseur van Johan van Oldenbarnevelt. Dat zal Hugo uiteindelijk duur komen te staan en hem in Slot Loevestein doen belanden. Maar niet voor lang. Na bijna twee jaar ontsnapt hij in een boekenkist. Hij vlucht dan naar Frankrijk en zal nooit meer levend in Nederland terugkomen. In 1645 sterft hij. Hugo wordt begraven in Delft.

    2. Hugo de Groot en de boekenkist

      Hugo de Groot is een geleerde uit de zeventiende eeuw. In 1619 wordt hij gevangen gezet op Slot Loevestein. Daar krijgt Hugo regelmatig een grote kist vol boeken. Hij leest ze, stuurt ze terug en krijgt weer nieuwe. Maar dan bedenkt zijn vrouw een manier om hem te laten ontsnappen...

      Wil je de boekenkist van Hugo zelf zien? In Nederland kun je hem op drie plaatsen gaan bekijken: in het Rijksmuseum in Amsterdam, het Prinsenhof in Delft of op Slot Loevestein! Het zou heel goed kunnen dat Hugo echt in één van deze drie kisten is ontsnapt!

    3. Over oorlog en vrede

      Hugo de Groot heeft op Slot Loevestein zijn eigen kamer. Hij mag van de universiteit boeken lenen om door te kunnen studeren. Hij leest, schrijft en denkt veel na in zijn kamer. Bijvoorbeeld over oorlog en vrede: waarom voeren landen eigenlijk oorlog en mogen ze dat wel doen?

      In tijd van Hugo de Groot zijn er nog geen regels voor wat er wel en niet mag in een oorlog. Iedereen doet maar wat. Stel dat er oorlog komt, zal de vijand dan ook zomaar vrouwen en kinderen gevangen nemen of dood maken? En zal hij je huis platbranden?
      Hugo vindt dat je je ook in een oorlog aan regels moet houden. Een land mag bijvoorbeeld niet zomaar een oorlog beginnen. Je moet eerst echt alles doen om een oorlog te voorkomen door te overleggen met elkaar. Als er toch oorlog komt, en je een vijand gevangen neemt dan moet je hem goed behandelen. Je mag hem niet martelen. Ook mag je volgens Hugo niet zomaar schieten op burgers, of roven en plunderen.
      Hugo's ideeën over oorlogvoeren zijn totaal nieuw voor die tijd en heel erg belangrijk, want hij bedenkt daarmee het internationale oorlogsrecht. Dat geldt nog steeds! Na zijn ontsnapping uit Loevestein schrijft hij z'n ideeën op in een boek. Dat doet hij in het Latijn, de taal van de geleerden uit die tijd. In het Nederlands krijgt het boek de naam Over het recht van oorlog en vrede.
      De regels uit dit boek worden nog steeds gebruikt. Bijvoorbeeld in het Vredespaleis in Den Haag, waar het internationale gerechtshof is gevestigd. In de kelder van het Vredespaleis staan kilometers boeken opgeslagen die allemaal met internationaal recht te maken hebben. Ook vind je hier alle boeken die door Hugo de Groot geschreven zijn.

    4. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

      Dit is een kaart van De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zo heet Nederland in de tijd van Hugo de Groot. Nederland ziet er dan anders uit. Het bestaat uit zeven provincies, 'gewesten', waarvan Holland de belangrijkste en de rijkste is.

      In de tijd van Hugo de Groot is Nederland geen koninkrijk maar een republiek. Een republiek is een land zonder koning. De Republiek is ontstaan uit zeven provincies of 'gewesten'. Daarom heet Nederland in die tijd de 'Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden'.
      Elk gewest heeft een paar afgevaardigden in de Staten-Generaal. De Staten-Generaal is de groep mensen die namens de gewesten in de regering van de Republiek zitten. Ze overleggen met elkaar en met hun eigen gewest over wat het beste is voor alle gewesten samen.
      Niet elk gewest is even machtig. Omdat het rijke Holland het meeste geld inbrengt, heeft dit gewest het meeste te vertellen. De belangrijkste ambtenaar van Holland, de raadpensionaris, is een soort minister-president. In de tijd van Hugo is Johan van Oldenbarnevelt de raadpensionaris.
      Behalve een raadpensionaris is er ook een stadhouder. Dit was steeds een edelman uit de familie van Oranje-Nassau (ook familie dus van Willem-Alexander). Als baas van het leger is de stadhouder belangrijker dan alle andere bestuurders. Prins Maurits is in Hugo's tijd de stadhouder.

    5. Maria van Reigersberch

      Dit is Maria van Reigersberch. Zij is de vrouw van Hugo de Groot. Samen met Hugo's kinderen en het dienstmeisje Elsje is zij ook bij Hugo op Slot Loevestein. Zij waren er niet als gevangenen. Ze mochten naar binnen en naar buiten gaan wanneer ze maar wilden. Maria en Elsje bedenken samen een plan om Hugo te laten ontsnappen…

      De vrouw van Hugo de Groot heeft vrienden in Gorinchem, een plaats niet ver van Slot Loevestein. Voorzichtig vertelt Maria aan die vrienden: "Misschien komt Hugo binnenkort bij jullie!" De mensen snappen er niks van. "Hugo zit toch gevangen? Maar áls hij komt, willen we hem wel helpen hoor", beloven ze aan Maria.
      Dan verstoppen Maria en Elsje Hugo in de boekenkist. Elsje gaat met de soldaten en de kist mee. Zo kan ze in de gaten houden of de soldaten Hugo niet ontdekken. Elsje vertelt de soldaten waar ze de kist moeten brengen: bij de vrienden van Maria. Als de soldaten vertrokken zijn, kan Hugo uit de boekenkist komen. Daarna reist hij snel door naar het zuiden, naar Antwerpen.
      Dezelfde avond doet Maria iets doms. Ze vergeet kaarsen aan te steken in Hugo's kamer op Slot Loevestein. Elke avond zat Hugo daar bij kaarslicht te lezen en te studeren. Maar deze avond brandt er geen licht op zijn kamer. De bewakers vinden dat vreemd, ze gaan kijken wat er met Hugo aan de hand is. Als ze zijn kamer binnenkomen, is daar niemand. Hugo is weg! Ze gaan hem direct zoeken. Maar Hugo heeft tijd genoeg gehad, hij zit al ver weg in het zuiden. De soldaten kunnen hem niet meer vinden.
      Veel later vertelt Elsje vertelt het verhaal over de boekenkist aan Gerard Brandt. Deze man heeft het verhaal opgeschreven. Zo komt het dat wij nu nog steeds weten hoe Hugo de Groot is ontsnapt.

    6. Slot Loevestein

      Hugo de Groot wordt op 5 juni 1619 gevangen gezet op Loevestein. In deze gevangenis zit hij bijna twee jaar lang opgesloten. Omdat er geen glas in de ramen zit, is het er koud en vochtig. Hugo is daarom vaak ziek.

      Slot Loevestein is geen gewone gevangenis. Er worden geen dieven of moordenaars gevangen gehouden. De mensen die daar vastzitten zijn allemaal staatsgevangenen. Staatsgevangenen zijn mensen die door de regering gevangen worden gezet, omdat ze anders dachten over de politiek.
      Op Slot Loevestein worden de gevangenen beter behandeld dan criminelen in een gewone gevangenis. Hugo heeft er zijn eigen kamer waar hij kan lezen en schrijven. Van de universiteit van Leiden mag hij boeken lenen om te kunnen studeren. Hugo's vrouw, kinderen en dienstmeisje zijn er ook.
      Het is bijna onmogelijk om uit Slot Loevestein te ontsnappen. Het kasteel heeft muren van twee meter dik en een gracht er omheen. Als je daar al doorheen zou komen, kom je op een stuk grond waar soldaten wacht lopen. Die grond heet een vestingwal. De soldaten wonen daar, dus ze zijn er altijd. Om de vestingwal heen ligt weer een gracht. Niemand kon zomaar uit het kasteel, langs de soldaten en over de twee grachten gaan. En toch is het Hugo gelukt om uit Loevestein te komen!

    7. Ruzie in De Republiek

      De man op dit schilderij is prins Maurits. Hij laat Hugo de Groot in 1619 gevangen zetten op Slot Loevestein. Hugo is volgens hem schuldig aan landverraad. Landverraad is een misdaad waarmee je je eigen land in gevaar brengt. Hugo zit bijna twee jaar lang opgesloten.

      Nederland wordt in de tijd van Hugo de Groot geleid door twee mannen. De eerste is prins Maurits van Oranje Nassau. Hij staat aan het hoofd van het leger en is de belangrijkste edelman van ons land. De ander is Johan van Oldenbarnevelt. Hij is de belangrijkste politicus van Holland, een soort minister president. Zij krijgen steeds vaker ruzie over wat het beste is voor ons land en over het geloof. Dat loopt verschrikkelijk uit de hand. Iedereen gaat zich ermee bemoeien en het wordt een heftige strijd om de macht. Want wie is nou de baas, Maurits of Van Oldenbarnevelt? Hugo kiest de kant van Van Oldenbarnevelt. Maar prins Maurits wint uiteindelijk en hij laat Van Oldenbarnevelt en Hugo arresteren. Johan van Oldenbarnevelt krijgt de doodstraf en wordt onthoofd. Hugo wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Hij wordt afgevoerd naar Slot Loevestein.

    8. Elsje van Houweningen

      Dit is Elsje van Houweningen. Elsje is het dienstmeisje van Hugo de Groot en zijn vrouw Maria. Elsje helpt Maria om Hugo in de boekenkist te laten ontsnappen. Later vertelt Elsje het verhaal over Hugo en de boekenkist aan Gerard Brandt. Deze man heeft het verhaal opgeschreven, zo komt het dat wij nu nog steeds weten hoe Hugo de Groot is ontsnapt.

Vensterplaten

1637

De Statenbijbel

Het boek der boeken

    1. Het heilige boek van de christenen

      'In het begin schiep God de hemel en de aarde.' Zo begint het heilige boek van de christenen: de Bijbel. De Bijbel bestaat uit twee delen: het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Het Oude Testament vertelt de geschiedenis van het joodse volk. Het Nieuwe Testament vertelt het leven van Jezus en de gebeurtenissen nadat hij is gestorven en naar de hemel gegaan. 66 boeken in één...

      Eigenlijk is de Bijbel niet één boek, maar een verzameling van wel 66 boeken. Ze staan vol met verhalen, spreuken, gedichten en regels waar mensen zich aan moeten houden. De boeken zijn door verschillende mensen in verschillende tijden en talen geschreven - zoals het Grieks en Hebreeuws, de taal van de joden. Al die boeken samen noemen we de Bijbel. Het boek is in heel veel verschillende talen vertaald en wordt door christenen over de hele wereld gelezen.

    2. De bijbel voor iedereen!

      Rond 1500 is er een christelijke kerk in heel Europa. Ook in ons land. Maar sommige mensen hebben kritiek op de kerk, die door de paus in Rome wordt geleid. Niet de paus is de basis van het geloof, maar de bijbel - en die moet iedereen kunnen lezen! Deze protestbeweging heet Reformatie - dit betekent verbetering. Maar de kerk wil niet veranderen. De christelijke kerk valt uit elkaar en er ontstaat een nieuwe groep christenen: de protestanten. Een onleesbaar boek...

      De christelijke kerk onder leiding van de paus gaat later 'rooms-katholiek' heten. De katholieken vinden dat de Bijbel alleen is bedoeld voor mensen die in een kerk werken. Alleen monniken en priesters kunnen die moeilijke verhalen uitleggen aan het volk. Volgens de protestanten is de bijbel voor iedereen.

      Er is alleen een probleempje. De meeste bijbels in die tijd zijn geschreven in het Latijn en dat kunnen heel veel mensen niet lezen. Daarom vinden de protestanten dat de bijbel vertaald moet worden in het Nederlands.

    3. De kerk in de Republiek

      In 1637 zijn de meeste mensen in ons land protestants. Nederland is nog niet één land met een koning. Het is de Republiek der Nederlanden, die uit 7 provincies of staten bestaat. Deze republiek is ongeveer zo groot als ons land nu. De mannen die de 7 staten besturen vormen de 'Staten-Generaal'. Er is ook nog niet één taal. In iedere provincie spreken de mensen een ander dialect. Wie heeft gelijk?

      In de 17de eeuw zijn er veel meer christenen in ons land dan nu. De protestanten, die zich van de katholieke kerk hebben afgescheiden, maken ruzie met elkaar. Ze zijn het over veel dingen niet met elkaar eens. De politieke leiders (Staten-Generaal) willen rust en eenheid. Daarom organiseren ze in 1618 een grote vergadering in Dordrecht, waar de protestantse kerken uit alle provincies aan meedoen. Dit heet de Synode van Dordrecht. Deze vergadering moet een besluit nemen over de ware leer van de kerk. 

    4. Synode van Dordrecht

      Het is 1618. Een half jaar lang zien de inwoners van Dordrecht veel mannen met lange baarden en ernstige gezichten in hun stad. Ze zijn gekomen voor een vergadering van de kerk. Die moet een einde maken aan de ruzie tussen verschillende groepen: de streng gelovige protestanten en de wat minder strenge. En de winnaar is...

      De strenge gelovigen winnen. Zij geloven dat jouw leven al vaststaat als je geboren wordt. Je hebt geen vrije wil en alleen God bepaalt of je in de hemel komt. Er komen strenge regels op papier te staan en zo'n 200 predikanten van de minder strenge groep mogen niet meer in de kerk werken. De kerkvergadering besluit ook dat er één bijbel moet komen die in alle kerken gebruikt wordt: de Statenbijbel.

    5. De Statenbijbel en onze taal

      Ook jij spreekt Bijbeltaal. Alleen besef je het niet. Door de eeuwen heen zijn allerlei woorden en uitdrukkingen uit de Statenbijbel deel geworden van ons dagelijkse taalgebruik. Je ziet het vooral aan de spreekwoorden. Geen wonder, als het boek in alle kerken, gezinnen en op school wordt gelezen. Test je kennis!

      Weet je wat het betekent als iemand tegen je zegt: 'Ik ben door het oog van de naald gekropen!'. Nee? Dan hoef je niet in zak en as te zitten hoor… want sommige spreekwoorden verdwijnen langzaam weer uit onze taal. Soms kennen alleen de oude mensen ze nog. Taal verandert voortdurend.

    6. Het heilige boek van de moslims

      Bij drie grote godsdiensten in de wereld geloven de mensen in één god: het christendom, de islam en het jodendom. De christenen spreken van God, de moslims van Allah. Het heilige boek van de moslims is de Koran. De engel Djibriel (Gabriël in de Bijbel) gaf de woorden van Allah in de Arabische taal door aan de profeet Mohammed. Hij is de boodschapper van God. Abraham en Ibrahim...

      Veel mensen weten niet dat de verhalen uit het Oude Testament en de Koran heel erg op elkaar lijken. Jezus heet in de Koran Isa. Hij is hier alleen niet de zoon van God, maar een profeet. Het Offerfeest is het grote feest van de moslims. Ze herdenken Ibrahim, die zo trouw was aan Allah dat hij zijn zoon voor hem wilde doden. Toen Allah dat zag, droeg hij Ibrahim op in plaats van zijn zoon een schaap te offeren. Bij het Offerfeest geven de moslims eten of geld aan de armen.

    7. Het heilige boek van de joden

      De Tenach is het heilige boek van de joden. Hij is geschreven in het Hebreeuws en bestaat uit drie delen. Het eerste deel is het belangrijkst: de Thora (wet). Dit zijn de vijf boeken van Mozes (Musa in de Koran). Hij is de belangrijkste profeet voor de joden. De Thora beschrijft de schepping van de aarde en de vroege geschiedenis van het volk van Israël. Ook de wetten van het geloof staan in deze boeken beschreven. Niet aanraken!

      De Thora is voor joden zo heilig, dat je die niet met je handen mag aanraken. Je leest hem met een jat - een zilveren aanwijsstokje met op het uiteinde een wijzende hand. De belangrijkste feestdag is Jom Kipoer of Grote Verzoendag. Je mag op die dag niet werken en je moet vasten. Je vraagt vergeving voor je zonden en er is een speciale dienst in de synagoge.

    8. Bijbels in soorten en maten

      God keek naar alles en zag dat het kapot goed was. Toen werd het avond. De zesde dag was voorbij. Toen was God klaar. De wereld was omin mooi geworden.

      Bijbeltaal. Ja, zeker wel! Dit komt uit het boek Genesis, over het ontstaan van de wereld. In onze tijd zijn de bijbels niet alleen van buiten, maar ook van binnen heel verschillend. De bijbel in straattaal

      Vroeger lieten rijke mensen hun bijbel in prachtig leer binden en met zilver of zelfs goud versieren. Maar in onze tijd wordt ook het verhaal op verschillende manieren verteld. In kinderbijbels bijvoorbeeld, met mooie tekeningen erin. Jongerenbijbels. Een bijbel voor ongelovigen. Een bijbel in gewone taal. En zelfs een bijbel in straattaal. De Statenbijbel is ook weer veranderd. De nieuwste vertaling is van 2010 en ook die is er in soorten en maten. De goedkoopste is gemaakt voor het leger. Soldaten kunnen het boekje meenemen in de zak van hun uniform - het past precies.

Vensterplaten

1606?-1669

Rembrandt

De beroemde schilders

    1. Rembrandt van Rijn

      Rembrandt van Rijn is misschien wel de bekendste kunstschilder uit de zeventiende eeuw. Hier zie je hem op een schilderij dat hij van zichzelf maakte. Rembrandt schilderde een van de beroemdste schilderijen ter wereld: De Nachtwacht.

      Wanneer Rembrandt van Rijn precies geboren wordt, is niet bekend. Waarschijnlijk is dat op 15 juli 1606. Wel is zeker dat zijn wieg in Leiden stond en dat zijn vader molenaar is. Het is al snel duidelijk dat Rembrandt ontzettend goed kan tekenen en schilderen. Daarom gaat hij bij andere schilders in de leer.
      Als Rembrandt eenentwintig jaar is verhuist hij naar Amsterdam. Dat is in die tijd een snel groeiende en vooral ook rijke stad. Goede schilders zoals Rembrandt kunnen er veel geld verdienen. Rembrandt krijgt dan ook al snel veel opdrachten. De mensen vinden zijn werk erg mooi en willen graag een schilderij van Rembrandt aan de muur om mee te pronken. Met een schilderij van meesterschilder Rembrandt heb je het helemaal gemaakt!

    2. Het geheim van Rembrandt

      Rembrandt schildert op een manier die nieuw is in de zeventiende eeuw. Maar wat maakt zijn schilderijen zo bijzonder?

    3. De Nachtwacht

      Vooraan op het schilderij De Nachtwacht staat Luitenant Willem van Ruytenburgh. Dit kunstwerk is Rembrandts beroemdste schilderij. Hij doet er wel drie jaar over om het te maken! Maar in 1642 is het af. Je kunt het zelf gaan bekijken in het Rijksmuseum Amsterdam.

      De Nachtwacht is een schilderij van een groep schutters. Schutters zijn in de zeventiende eeuw burgers die in geval van nood de stad met wapens verdedigen.
      Mensen uit de hele wereld komen nu speciaal naar Amsterdam om daar dit meesterwerk te zien. Maar het is dan ook een bijzonder schilderij.
      Kijk eens goed naar hoe de mensen staan. Rembrandt schildert ze niet keurig in een rijtje, zoals de meeste schilders in die tijd doen. Nee, Rembrandt schildert ze door elkaar heen. Hij schildert ze in actie. Het is net alsof ze op het punt staan te vertrekken. Dat is nieuw! Rembrandt vertelt met het schilderij dus een verhaal.
      Dat komt ook door hoe Rembrandt tovert met licht. Het is net alsof er met een zaklamp op de voorste twee schutters en het kleine meisje geschenen wordt. De rest staat in de schaduw. Zie je dat?
      Eigenlijk heet dit schilderij niet De Nachtwacht maar: De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren. Het schilderij werd door verkleuring steeds donkerder: zo donker dat het op een gegeven moment De Nachtwacht werd genoemd.

    4. 'Voorhuys'

      Rembrandt was behalve schilder ook kunsthandelaar. Hij verkocht niet alleen zijn eigen schilderijen maar ook die van andere schilders uit zijn tijd. Deze grote en deftige hal was het eerste wat je zag als je bij Rembrandt op bezoek kwam. Overal hingen de muren vol schilderijen.

    5. Het leven van Rembrandt

      Rembrandt van Rijn is getrouwd met Saskia van Uylenburgh. Saskia is niet sterk, toch krijgen ze samen vier kinderen. Maar alleen de jongste, Titus blijft leven. Ook met Saskia gaat het niet goed...

    6. Verf

      Rembrandts leerlingen maakten zelf verf door olie en bindmiddel fijn te wrijven. Meestal maakten ze maar een klein beetje, precies genoeg voor één dag. Ook de schilderskwasten werden zelf gemaakt. Daarvoor werd het haar van een dier gebruikt, bijvoorbeeld van een varken.

    7. De 'schildercaemer' van Rembrandt

      Dit is het atelier van Rembrandt. Een atelier (spreek uit: atteljee) is de werkplaats van een kunstenaar. In Rembrandts tijd wordt het atelier van een schilder de 'Schildercaemer' genoemd. In deze kamer schildert Rembrandt veel van zijn beroemdste schilderijen. Zijn leerlingen maken er zelf verf, spannen er schildersdoeken en binden er zijn kwasten.

    8. Etsen

      De etsen van Rembrandt zijn wereldberoemd. Van één etsplaat kun je met een etspers wel honderd afdrukken maken. Zo'n afdruk van een ets is veel goedkoper dan een schilderij en daarom populair bij mensen met minder geld.

    9. De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp

      Op dit schilderij van Rembrandt laat een dokter aan zijn studenten zien hoe het menselijk lichaam werkt. Het heet De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp. Je kunt het schilderij zien in museum het Mauritshuis in Den Haag.

      De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp uit 1632 is de eerste grote opdracht van Rembrandt. Niet lang daarvoor is hij van Leiden naar Amsterdam verhuisd. Het is een bijzonder schilderij voor die tijd. Rembrandt laat namelijk niet, zoals eerdere schilders, alle studenten keurig naast elkaar staan. Zie je hoe de studenten in een groepje om dr. Tulp heen staan? Hoe ze samen naar hem luisteren en kijken naar wat hij doet? Het lijkt bijna alsof Rembrandt een foto van ze heeft gemaakt. Het schilderij maakt hem erg bekend. Vanaf dat moment wil iedereen met genoeg geld wel een schilderij van Rembrandt hebben.

    10. De verzameling van Rembrandt

      Rembrandt is een echte verzamelaar. Hij verzamelt spullen uit alle delen van de wereld: schilderijen, beelden, prenten en boeken. Maar ook voorwerpen uit de natuur, zoals opgezette dieren, gedroogde planten, stenen en schelpen.
      In Rembrandts tijd gaan steeds meer rijke burgers zulke bijzondere voorwerpen verzamelen. Door de handel met verre landen zijn er in Amsterdam 'schatten' uit alle delen van de wereld te koop. Rembrandt verzamelt ze niet alleen omdat hij ze interessant en mooi vindt. Hij gebruikt ze ook als voorbeeld voor de schilderijen die hij maakt.

Vensterplaten

1662

De Atlas Maior van Blaeu

De wereld in kaart

    1. Gek op kaarten!

      Nederlanders zijn gek op kaarten. Nergens ter wereld worden zoveel land- en zeekaarten gekocht als in ons land. Dat begon al zo'n vierhonderd jaar gelden. Amsterdam was toen het centrum van de wereldhandel. Vanuit Amsterdam vertrokken duizenden schepen naar alle hoeken van de wereld.

      Handelaars en ontdekkingsreizigers hadden goede kaarten nodig voor hun verre reizen. Maar ook 'thuisblijvers' waren nieuwsgierig naar hoe de rest van de wereld eruit zag.

      Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw waren 'caertschrijvers' (kaartenmakers) in bijvoorbeeld Enkhuizen en Edam al op zoek naar geschikte kaarten. Ze gebruikten er buitenlandse voorbeelden voor.

      Kaarten tekenen was een nauwkeurig karwei. Zo goed mogelijk werden de verschillende gegevens in kaart gebracht. En als de gegevens nog niet bekend waren, bleef er een stuk wit. 'Terra Incognita' schreef men dan: onbekend land!

    2. Willem Janszoon Blaeu

      Dit is Willem Janszoon Blaeu. Hij leefde van 1571 tot 1638. Willem had veel interesse in wetenschap. Hij ging in de leer bij een beroemde Deense sterrenkundige. Toen hij weer terug in Nederland was begon hij in Amsterdam zijn eigen drukkerij in kaarten en atlassen. Zijn kaarten waren opvallend mooi en al snel erg populair!

    3. Joan Blaeu

      De man op dit deftige portret is Joan Blaeu. Hij leefde van 1596 tot 1673. Van zijn vader, Willem Jansz. Blaeu, erfde hij het bedrijf in kaarten en atlassen. Hij maakte het bedrijf nog groter dan het al was. Joan bracht heel veel nieuwe kaarten en atlassen uit. De beroemdste daarvan is de Atlas Major uit 1662.

    4. Atlas Major

      De mooiste, dikste en duurste atlas ter wereld is de Atlas Major uit 1662. Het is een echt kunstwerk van de firma Blaeu uit Amsterdam. De Atlas Major telt maar liefst elf delen, en er staan wel zeshonderd prachtig versierde land- en zeekaarten in. Ze zijn allemaal met de hand ingekleurd. Wat een werk moet dat geweest zijn!

      Naast kaarten vind je in de Atlas Major ook duizenden bladzijden met informatie over de verschillende landen van de wereld. Bijvoorbeeld over welke mensen er wonen, welke godsdiensten zij hebben, welke dieren er leven.

      De Atlas Major bracht de hele wereld zoals de mensen hem toen kenden in kaart. Met deze atlas had je de wereld binnen handbereik. Nog niet eerder kon je thuis op de bank zo uitgebreid met de wereld kennismaken.

      Alleen de allerrijkste mensen konden deze luxe atlas betalen.

    5. Logboek

      Deze tekening van Nieuw Zeeland is in 1642 gemaakt door Isaac Gilsemans. Familie Blaeu ging niet zelf op reis om de wereld in kaart te brengen. Dat zou veel te veel tijd hebben gekost. Ze verzamelden de beste kaarten die er al waren en lazen de logboeken en reisverslagen van reizigers. Met die informatie maakten ze nieuwe, mooiere kaarten.

      De meeste schepen hadden tekenaars aan boord. Isaac Gilsemans was zo'n tekenaar. Als handelsman en tekenaar voer hij mee op het schip van ontdekkingsreiziger Abel Tasman.

      Toen Abel Tasman Nieuw Zeeland ontdekte, maakt Isaac Gilmans daar deze tekening van een baai in Nieuw Zeeland.

      Op de achtergrond van de tekening heeft Isaac Gilmans een stuk kust getekend. Hij heeft het nauwkeurig in kaart gebracht.

      Op de voorgrond zie een bootje met Maori's. Dat zijn de mensen die al in Nieuw Zeeland woonden toen Abel Tasman het ontdekte.

      De familie Blaeu gebruikte de informatie op dit soort tekeningen, samen met de informatie uit de logboeken en de gesprekken die ze voerden met reizigers, voor hun kaarten en atlassen.

    6. Globes

      Deze globe is gemaakt door Joan Blaeu. Een globe (of wereldbol) is een bol met de afbeelding van de aarde. Op een globe kloppen de verhoudingen in grootte, vorm en afstand tussen de landen precies. Dat is met een platte kaart niet mogelijk. Probeer maar eens de schil van een halve geperste sinaasappel plat te drukken: er ontstaan scheuren en inkepingen.

      Joan Blaeu maakte de globe na 1644. Dat weten we omdat er stukken kustlijn van Australië opstaan die de ontdekkingsreiziger Abel Tasman in 1644 ontdekte.

      Maar als je goed kijkt zie je dat er op de globe ook nog veel lege plekken zijn. Dat zijn stukken land die nog niet ontdekt waren op het moment dat de globe gemaakt werd.

    7. Drukpers

      De allereerste gedrukte kaarten van de familie Blaeu vielen al meteen op door de hoge kwaliteit. Ze werden gedrukt op houten drukpersen. Dankzij de persen konden de kaarten in snel tempo gedrukt worden. Dit model van een drukpers lijkt erg op de drukpersen die in de werkplaatsen van de familie Blaeu hebben gestaan.

      De familie Blaeu had wel twee werkplaatsen en vijftien van deze drukpersen. Er waren tachtig mensen in dienst om de vijftien drukpersen draaiend te houden. Daarnaast waren er een heleboel vrouwen en kinderen die geld verdienden met het inkleuren van de kaarten. En tot slot was er nog de winkel.

      Een van de werkplaatsen van de familie Blaeu werd in 1672 verwoest door brand. Het vroor zo hard dat de brandspuiten allemaal bevroren. De brand werd steeds erger! Er was geen redden meer aan. Alles ging verloren: prenten, boeken, papier, gereedschap en ook de drukpersen.

      De familie Blaeu was zo beroemd dat de brand wereldnieuws was. Omdat de familie nóg een werkplaats en de winkel had, was gelukkig niet alles zomaar in een keer verdwenen. Maar de schade van de brand was ongeveer 380.000 gulden. Dat bedrag is nu tientallen miljoenen euro's waard!

    8. Om mee te pronken!

      Rijke burgers wilden graag een atlas hebben. Ze waren nieuwsgierig naar hoe de wereld eruit zag. Ze gaven veel geld uit aan mooie, dure atlassen of prachtig gemaakte wereldbollen. Met een mooie atlas kon je pronken! Zie je hoe luxe deze Atlas Major is? De elf delen zijn in wit leer ingebonden en opgeborgen in een duur kastje.

      Voor de meest simpele uitgave van de Atlas Major moest je 250 gulden betalen. 250 gulden is nu ongeveer 20.000 euro waard. Daar moet iemand met een gemiddeld inkomen nu een jaar voor werken! Geen wonder dus dat er maar driehonderd exemplaren van de Atlas Major gemaakt zijn.

    9. De VOC

      In de Gouden Eeuw was Amsterdam het centrum van de wereldhandel. Nederlandse schepen van de VOC voeren met hun handelswaar over alle grote wereldzeeën. Hier zie je zo'n schip van de VOC. Handelaren en zeevaarders hadden goede kaarten nodig voor hun lange reizen.

      De VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) werd in 1602 opgericht. De VOC was een vereniging van handelaars die spullen kochten in Azië.  De VOC had, als enige in Nederland, het recht om handel te drijven in Azië. In naam van Nederland mocht de VOC verdragen sluiten en oorlogen beginnen. Ze mocht zelfs regeren over de gebieden die ze veroverde.

      Ook Willem Jansz. Blaeu werkte voor de VOC: in 1633 werd hij aangesteld als kaartenmaker van de VOC. Bovendien werd hij examinator voor VOC-stuurlieden: mensen die als stuurman voor de VOC wilden gaan werken, moesten bij hem examen doen in het kaartlezen en navigeren.

Vensterplaten

1607-1676

Michiel de Ruyter

Zeehelden en de macht van de Republiek

    1. Michiel de Ruyter

      Nederland was rond 1650 het rijkste land ter wereld, vooral dankzij de enorme handel over zee. Jaloerse landen vielen de Nederlandse vloot vaak aan. Michiel Adriaanszoon de Ruyter was leider van de oorlogsschepen die deze aanvallen moesten afslaan. Hij vocht in bijna dertig grote zeeslagen.

    2. Engels schip

      In de tweede helft van de zeventiende eeuw krijgen de twee grote zeevaartlanden Engeland en Nederland ruzie met elkaar over de handel. Dat leidt tot twee zeeoorlogen met Engeland (1652-1654 en 1665-1667). In 1672 is het weer raak en vallen Engeland en Frankrijk samen de Nederlandse Republiek aan.

      De zeventiende eeuw is voor de Nederlandse Republiek een 'gouden eeuw'. De schepen van de VOC vervoeren kostbare specerijen en allerlei andere goederen over alle wereldzeeën. Daar wordt heel veel geld aan verdiend. Rond 1650 is Nederland het rijkste en machtigste land van de wereld.

      Andere landen zijn daar jaloers op. Engeland bijvoorbeeld. Dat is ook een belangrijk zeevaart- en handelsland. Engeland wil de macht van Nederland op zee breken.

      In 1651 besluit Engeland dat Nederlandse kooplieden voortaan alleen nog mogen handelen met spullen uit de Nederlandse Republiek. Ze mogen niet meer handelen met spullen uit andere landen. Daar zijn de Nederlandse kooplieden het niet mee eens. Ze willen vrij zijn om over de hele wereld te handelen.

      Het wordt oorlog!

    3. Enteren!

      In de tijd van Michiel de Ruyter heb je zeeslagen waar soms wel tweehonderd schepen aan meedoen. Zo'n zeeslag is een grote chaos. Ieder schip zoekt op eigen houtje een vijandelijk schip op om het te bestormen. Daarna is het vechten: man tegen man. Er is geen aanvalsplan. Maar dat verandert als Michiel de Ruyter de baas wordt.

      Michiel de Ruyter zorgt voor een betere manier van oorlog voeren op zee. Als hij de baas wordt van de Nederlandse vloot vallen de schepen niet meer op eigen houtje aan, maar werken ze voortaan goed samen. Michiel bedenkt vooraf een aanvalsplan. Dat plan overlegt hij eerst met de kapiteins van de schepen.

      Michiel de Ruyter verbetert het systeem van de seinvlaggen. Dat is een soort geheimtaal met gekleurde vlaggen. Zo kunnen de Nederlandse schepen elkaar laten weten wat de volgende stap in de aanval is, zonder dat de vijand het begrijpt.

      Ook leert Michiel de Ruyter de schepen in linie te varen: alle schepen in een strakke lijn achter elkaar. Dan kun je de vijand beter raken. En als je door de linie van de vijand breekt kun je hem overmeesteren, ook al ben je in de minderheid.

      Tot slot is Michiel de Ruyter de eerste admiraal die zijn bemanning traint voordat ze naar zee gaan: hij leidt matrozen op tot soldaat. (Tegenwoordig noemen we die soldaten mariniers). Michiel zorgt heel goed voor zijn bemanning. Hij krijgt hierdoor de bijnaam 'Bestevaer': grootvader.

    4. Kanonvuur

      Op dit schilderij zie je de 'Vierdaagse Zeeslag' tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Zo'n zeeslag is echt verschrikkelijk. De kogels vliegen je letterlijk om de oren. Het lawaai van de kanonnen is oorverdovend en door de kruitdamp zie je geen hand voor ogen. Overal om je heen hoor je het gekerm en geschreeuw van gewonde en stervende mensen.

      In de zeventiende eeuw werden er nog veel meer van dit soort schilderijen van grote zeeslagen gemaakt. Daardoor weten we best goed hoe zo'n zeeslag eruit heeft gezien.

      Weet je eigenlijk hoe ze die schilderijen zo precies konden maken? Zo'n schilder zat gewoon zelf in een klein bootje naar een zeeslag te kijken! Moet je je eens voorstellen: terwijl het gevecht in volle gang was en de kanonskogels hem om zijn oren vlogen, tekende de schilder wat hij zag. Later maakte hij van die schetsen een prachtig schilderij.

      Eigenlijk was zo'n schilder dus gewoon een verslaggever of journalist. Je kunt hem vergelijken met een fotograaf van nu die naar een oorlogsgebied gaat om daar foto's van te maken.

    5. Branders

      In de gevechten op zee gebruiken Nederland en Engeland ook branders. Een brander is een schip vol buskruit. Een paar mannen roeien de brander naar het schip van de vijand. Als ze daar zijn steken ze de lont aan en springen zelf vlug overboord. Boem! De brander explodeert en het schip van de vijand vliegt in brand.

    6. De tocht naar Chatham

      Michiel de Ruyter behaalde zijn grootste succes in de tocht naar de Engelse stad Chatham. Daar vernietigt hij, op een zijrivier van de Theems, in 1667 een groot deel van de Engelse vloot. Weer thuis krijgt Michiel de Ruyter als beloning deze kostbare beker. Je kunt de beker zelf gaan bekijken in het Rijksmuseum Amsterdam.

      Op de Chathambeker zie je de belangrijkste momenten van de Nederlandse aanval op de Engelse vloot afgebeeld. Deze aanval was in 1667, midden in de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog.

      De Engelse vloot ligt die winter voor anker op de Medway, een zijrivier van de Theems. Raadpensionaris Johan de Witt (een soort minister-president) vraagt Michiel de Ruyter om de Engelsen aan te vallen. Het is een gevaarlijk plan.

      De Medway is gevaarlijk door allerlei onbekende ondieptes. Het water kan bij eb meters zakken. De Nederlandse schepen kunnen gemakkelijk vastlopen op de bodem van de rivier en zo in de handen van de Engelse vijand vallen. Bovendien hebben de Engelsen vlak onder water een zware ijzeren ketting gespannen.

      Toch vaart Michiel de Ruyter met zijn vloot naar Engeland, de Theems op, en daarna de Medway. Het lukt om de ketting stuk te varen! De Engelse vloot is nu weerloos. Schepen worden tot zinken gebracht en gebouwen worden in brand gestoken. Als oorlogstrofee nemen de Nederlanders de spiegel (achterkant) van het Engelse schip 'The Royal Charles' mee. De spiegel van 'The Royal Charles' kun je, net zoals de Chathambeker, bekijken in het Rijksmuseum Amsterdam. De roem van Michiel de Ruyter is na de tocht naar Chatham groter dan ooit.

    7. Oorlogsschepen in de 17e eeuw

      Oorlogsschepen zijn nu meestal grijs, om op zee zo weinig mogelijk op te vallen. In de tijd van De Ruyter waren ze juist prachtig versierd, om er zo indrukwekkend mogelijk uit te zien. Hier zie je de prachtig versierde 'spiegel' (achterkant) van Michiels schip de Zeven Provinciën, dat op de Bataviawerf in Lelystad wordt nagebouwd.

      Nederland is eigenlijk helemaal niet goed voorbereid op een oorlog op zee als in 1652 de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog uitbreekt. Engeland heeft snelle en goed bewapende schepen. Nederland moet het doen met een paar trage, omgebouwde handelsschepen.

      Michiel de Ruyter ziet het eerst dan ook helemaal niet zitten als hij gevraagd wordt om de Nederlandse vloot aan te voeren. Uiteindelijk doet hij het toch onder een aantal voorwaarden: hij wil snellere schepen, meer schepen en vooral veel kanonnen.

      Michiel krijgt het voor elkaar! In hoog tempo worden op de scheepswerven tientallen schepen gebouwd. De Zeven Provinciën is er daar één van. Dat wordt het schip van Michiel de Ruyter zelf. Aan boord zijn maar liefst tachtig kanonnen.

    8. De 'Zeven Provinciën'

      Dit is een model van het vlaggenschip van Michiel de Ruyter, de 'Zeven Provinciën'. Een vlaggenschip is het belangrijkste schip van een oorlogsvloot. Met de 'Zeven Provinciën' behaalde Michiel de Ruyter zijn belangrijkste overwinningen.

      De 'Zeven Provinciën' was voor die tijd een reusachtig schip. Het was zesenveertig meter lang, twaalf meter breed en stak vijf meter diep. En met de masten erbij was het wel zestig meter hoog! Er gingen tachtig kanonnen aan boord van het schip.

      Op de Bataviawerf in Lelystad zijn ze al sinds 1995 bezig het schip zo goed mogelijk na te bouwen. Hiervoor raadplegen ze tekeningen, schilderijen en verslagen uit de tijd van Michiel de Ruyter.

      Het duurt nog zeker tot 2015 voor dat het schip helemaal klaar is. Dan is er dus wel twintig jaar aan gebouwd. En dan te bedenken dat de 'Zeven Provinciën' van Michiel de Ruyter gebouwd werd op een werf in Rotterdam in slechts negen maanden.

    9. Een schitterend praalgraf

      Al tijdens zijn leven wordt Michiel de Ruyter gezien als de grootste zeeheld die Nederland gekend heeft. In 1676 sterft hij in een gevecht tegen de Fransen. Heel Nederland is in rouw. Bij zijn begrafenis ziet het zwart van de mensen die hem de laatste eer willen bewijzen. Hij krijgt dit schitterende praalgraf in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Vensterplaten

1629-1695

Christiaan Huygens

Wetenschap in de Gouden Eeuw

    1. Christiaan Huygens

      Dit is Christiaan Huygens, een heel belangrijk en beroemd wetenschapper uit de zeventiende eeuw. Christiaan Huygens zou eigenlijk diplomaat worden. Dat is iemand die namens de regering met andere landen mag onderhandelen. Maar eenmaal op school knutselde Christiaan liever met molentjes en zette hij zelfbedachte machientjes in elkaar.

      Christiaan werd geboren in 1629. Zijn vader, Constantijn Huygens, was dichter en adviseur van de prins van Oranje. Omdat Constantijn wilde dat zijn zoons diplomaat werden, moesten ze rechten en oorlogskunde studeren. Maar Christiaan vond wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde veel interessanter. Als kind weigerde hij al gedichten te schrijven. Liever keek hij wat voor kringen er in het water kwamen als hij er een stok in gooide.
      Al jong schreef Christiaan met belangrijke buitenlandse geleerden over ingewikkelde vragen, bijvoorbeeld over wiskunde. Toen hij achttien was, schreef een Franse wetenschapper aan vader Constantijn: 'Als hij zo doorgaat, wordt hij nog beter dan Archimedes.' Dat was een belangrijke natuurkundige uit de tijd van de Romeinen. Vader Huygens heeft zijn zoon de rest van zijn leven 'mijn Archimedes' genoemd.

    2. Hofwijck

      Dit is Hofwijck, één van de huizen waar Christiaan Huygens heeft gewoond. Het is een buitenhuis: een soort vakantiehuis. Hier kon de familie Huygens van de natuur en de rust genieten als ze even niet in de stad wilden zijn. De familie Huygens had namelijk ook een huis in Den Haag.

      Christiaan woonde en studeerde lange tijd in Engeland en in Frankrijk. In 1666 werd hij de eerste directeur van de Franse Wetenschappelijke Academie. Zo belangrijk waren de ideeën van Christiaan voor de wetenschap!
      Van 1681 tot aan zijn dood in 1695 woonde Christiaan afwisselend op het familiebuitenhuis Hofwijck in Voorburg en in Den Haag.
      Hofwijck staat er nog steeds. Je kunt er zelfs binnen kijken, want het is nu een museum. Niet alleen voor Christiaan, maar ook voor zijn vader Constantijn, de dichter. Constantijn maakte wel drie gedichten over Hofwijck.

    3. Niet alleen denken, ook doen!

      Christiaan Huygens deed graag experimenten. Dat zijn proefjes om iets te onderzoeken. Christiaan wilde onderzoeken of zijn ideeën wel echt klopten. Of er echt zou gebeuren wat hij dacht.

      Christiaan Huygens wilde niet alleen denken over alles wat al bekend was. Hij vond het belangrijk om zelf te experimenteren. Hij keek nauwkeurig om te zien wat er gebeurde. Dan omschreef hij waarom het zo gebeurde en daarna controleerde hij het. Deze nieuwe manier van met wetenschap bezig zijn, staat bekend als de Wetenschappelijke Revolutie.

    4. De slingerklok

      Dit is Christiaan Huygens' bekendste uitvinding: het slingeruurwerk. Dat is een klok die werkt door de slinger die eraan hangt. Voor de natuurkunde bestudeerde Christiaan de val- en slingerbeweging. Met die kennis heeft hij in 1656 dit slingeruurwerk gemaakt.

      Christiaan maakte en verbeterde ook klokken voor schepen. Deze zeeklokken moeten op een slingerend schip in volle zee altijd de goede tijd aangeven. Het kennen van de juiste tijd was heel belangrijk om te bepalen waar het schip precies was op zee.
      De slingerklok was heel precies. Het werkte zo goed, dat met dezelfde techniek later het horloge is gemaakt. Veel kleiner dan een slingerklok, maar vanbinnen hetzelfde !
      Maar Christiaan bedacht nog meer. Hij wilde dingen uitvinden waar je echt wat aan had. Hij wilde problemen oplossen. Het probleem van de paardenkoets bijvoorbeeld. Die hobbelde zo verschrikkelijk over de straat! Christiaan bedacht een oplossing: de veringen! Een koets hobbelt veel minder als die een beetje mee kan veren met de weg. Tegenwoordig gebruiken we veringen in heel veel dingen. In auto's en fietsen, maar ook in pennen, trampolines en nietmachines.

    5. De buisloze telescoop

      Christiaan maakte samen met zijn oudere broer Constantijn sterrenkijkers. Ze slepen de glazen lenzen ook zelf. Met zo'n kijker ontdekte Christiaan in 1655 dat de planeet Saturnus een maan heeft. Hij noemde hem Titan. Even later ontdekte hij ook dat Saturnus een ring heeft.

    6. Ruimteschip de Cassini-Huygens

      Dit ruimteschip is genoemd naar Christiaan Huygens. Het heet de Cassini-Huygens. En naar welke planeet denk je dat dit ruimteschip wordt gestuurd? Naar Saturnus natuurlijk, de planeet die Huygens ook al bestudeerde!

      Na Christiaan Huygens hebben veel meer mensen de planeet Saturnus bestudeerd. Er zijn ook steeds betere telescopen uitgevonden. We weten nu dat Saturnus nog veel meer manen heeft dan alleen Titan. De planeet heeft minstens 62 manen! En de ring van Saturnus is niet één ring. Het zijn allemaal smalle ringen naast elkaar.
      In 1997 is er een ruimtesonde naar Saturnus gestuurd om precies te weten hoe de planeet in elkaar zit. Dat ruimteschip heet de Cassini-Huygens. Daarin zitten geen mensen. Daarvoor is Saturnus veel te ver weg. Aan boord zijn vooral veel fototoestellen. Zo kunnen wij zien hoe Saturnus er van dichtbij uitziet. De Cassini-Huygens heeft er zeven jaar over gedaan om bij Saturnus te komen! In 2004 heeft het ruimteschip de planeet bereikt. Daar vliegt hij nog steeds omheen om foto's en films te maken.

    7. Een tijd van uitvindingen

      Dit is Antoni van Leeuwenhoek. Hij leefde in de tijd van Christiaan Huygens. Want Christiaan was niet de enige die grote uitvindingen deed. Ook andere mensen bedachten belangrijke dingen.

      Antoni van Leeuwenhoek was lakenhandelaar, dat is een soort stofverkoper. Hij wilde zijn stoffen graag van heel dichtbij zien om te kijken of het goed geweven was. Daarvoor gebruikte hij vergrootglazen, lenzen. Die vond hij niet scherp genoeg. Hij maakte zelf een nieuw soort lenzen. Zo bedacht hij de eerste versie van de microscoop. Daarmee kon hij hele kleine beestjes zien: bacteriën!
      Een andere beroemde man in die tijd was dokter Herman Boerhaave (1668-1738). Hij was dokter en leraar aan de universiteit. Hij praatte niet alleen óver zieken, maar nam zijn studenten mee naar de zieken toe. Dan konden de studenten zelf zien hoe bijvoorbeeld waterpokken eruit zagen, of de ziekte die we 'rode hond' noemen.
      Huygens, Van Leeuwenhoek en Boerhaave zijn wetenschappers van het nieuwe soort: niet alleen denken, maar ook doen!

Vensterplaten

1632-1677

Spinoza

Op zoek naar de waarheid

    1. Baruch de Spinoza

      Dit is Spinoza, een van de belangrijkste filosofen van Nederland. Hij leefde in de Gouden Eeuw.

    2. Spinoza was Joods

      Spinoza wordt in 1632 geboren in Amsterdam. Zijn ouders zijn Joden uit Portugal. Ze zijn gevlucht, omdat ze in Portugal niet voor hun geloof mochten uitkomen. In Amsterdam kon dat wel. Spinoza wordt op de joodse manier opgevoed: hij leest veel in de Thora (de joodse bijbel), en houdt zich aan de joodse regels.

      Maar al snel komt Spinoza in opstand tegen de joodse leer en de strenge regels rondom eten, drinken en bidden. Zijn leermeesters, de rabbi's, zijn erg ongerust over deze 'godslasterlijke handelingen' van de jonge Spinoza.
      Als Spinoza 24 jaar is, wordt hij uit de Joodse gemeenschap verbannen. Hij mag niet langer in de synagoge komen, en andere joodse mensen mogen niet langer met hem omgaan. Vier jaar later verhuist hij van Amsterdam naar Rijnsburg.

       

    3. Filosoof

      Spinoza is een filosoof. Dat is iemand die overal over nadenkt. En dan niet zomaar een beetje, nee, hij denkt heel goed over dingen na. Over ingewikkelde dingen, maar ook over hele normale dingen.

      Filosofen proberen normale dingen weer op een nieuwe manier te bekijken. Dat doen ze door vragen te stellen. Waarom vinden we regen zo vervelend, bijvoorbeeld? Of waarom vindt bijna iedereen een cavia veel leuker dan een slang? Als je echt goed over dingen nadenkt, ga je misschien anders over iets denken. Misschien vind je dan juist een slang een leuk huisdier, omdat niemand anders die heeft!
      Zo probeert Spinoza ook over allerlei dingen na te denken. Over de mensen, over hoe mensen met elkaar omgaan, over God en over de regering. Hij dacht daar anders over dan de meeste mensen. Omdat Spinoza's ideeën zo anders waren moest hij zijn boeken schrijven onder een schuilnaam.

    4. Vrije wil?

      Spinoza denkt op een bijzondere manier na over mensen. Dat hoort bij een filosoof. Alle mensen zijn gelijk, zegt Spinoza. Nu vinden we dat heel gewoon, maar in de tijd van Spinoza vonden mensen dat niet. En Spinoza bedenkt nog een filosofie over de mens. Hij zegt: mensen kunnen eigenlijk niet zelf kiezen, ze hebben geen 'vrije wil'.

      Spinoza zegt: je lichaam bepaalt wat jij moet doen. Als jij bijvoorbeeld heel erg dorst hebt, dan moet je drinken. Je kunt niet zeggen: 'ik heb nu even geen zin om te drinken', want als je dat blijft doen, dan ga je dood. Je moet dus naar je lichaam luisteren. Je denkt wel dat je zelf kiest wat je doet, maar eigenlijk kiest je lichaam dat voor je.

    5. Vrijheid van meningsuiting

      Spinoza vindt het heel belangrijk dat iedereen mag zeggen wat hij vindt. Als iedereen mag zeggen wat hij vindt of denkt, dan noemen we dat 'vrijheid van meningsuiting'. Tegenwoordig vinden wij dat heel gewoon maar in de tijd van Spinoza was dat niet zo.

      In de tijd van Spinoza was het soms zelfs gevaarlijk om te zeggen wat je vond. Je kon er voor in de gevangenis komen.
      Omdat Spinoza's ideeën zo anders waren moest hij zijn boeken schrijven onder een schuilnaam. Anders zou ook hij in de gevangenis kunnen komen. Spinoza maakte zich hier heel boos over. Hij vindt dat je alles tegen elkaar mag zeggen zolang je de andere persoon maar geen lichamelijke schade toebrengt. Spinoza vindt vrijheid van meningsuiting zo belangrijk, omdat hij vindt dat alle mensen gelijk zijn. Als je allemaal gelijk bent, moet je ook allemaal dezelfde rechten hebben. Het zou oneerlijk zijn als de één wel mag zeggen wat hij vindt en de ander niet.
      Daarom was Spinoza ook voor de democratie. Niet één iemand of een paar mensen moeten bepalen wat er met een land gebeurt, de meerderheid van de mensen moet dat kunnen bepalen.

    6. God volgens Spinoza

      Dit is één van de boeken die Spinoza schreef. Het heet Ethica. Spinoza schrijft daarin hoe hij over God denkt. Dat is heel anders dan de meeste mensen in zijn tijd.

      Volgens Spinoza is God niet iemand die boven de wereld staat en mensen beloont of straft.
      Nee, God ís de wereld. De natuur, de dieren, de mensen: alles is God. En God is alles. Daarom moeten mensen voorzichtig en goed met elkaar en met de natuur omgaan. En een mens is niet beter dan een dier. Want allebei zijn ze een stukje van God. En jij bent ook niet beter dan iemand anders, want je bent allebei een stukje van God.
      De meeste mensen in de tijd van Spinoza vonden dat je helemaal niet zo over God mocht denken en praten. Met die ideeën kon je in de gevangenis komen, of erger. Daarom werd zijn boek Ethica pas gedrukt na Spinoza's dood.

    7. Spinoza nu

      Dit is een biljet van duizend gulden. De gulden was vroeger het betaalmiddel in Nederland. Er staat een portret van Spinoza op. Het laat zien hoe belangrijk we hem vinden in Nederland: hij kreeg zelfs een afbeelding op een bankbiljet!

      We vinden Spinoza nu nog steeds een belangrijke filosoof. Spinoza´s ideeën hebben veel invloed in Nederland en ook in veel andere landen. Nu is er bijvoorbeeld wél vrijheid van meningsuiting. En we mogen net zo over God denken als Spinoza deed of zoals je zelf denkt. Ook al is dat anders als anderen. Ook worden Spinoza´s ideeën en boeken nu nog veel gebruikt door filosofen uit de hele wereld.

Vensterplaten

ca. 1637-1863

Slavernij

Mensenhandel en gedwongen arbeid

    1. De WIC en de handel in slaven

      Er is een tijd geweest dat mensenhandel heel gewoon gevonden werd. Ook Nederlandse kooplieden hebben meegedaan aan die handel. De Nederlandse slavenhandel begon in 1621. Toen werd de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Op de kaart zie je de 'driehoek van de slavenhandel'.

      De driehoek van de slavenhandel begon in Nederland. Daar werden schepen van de WIC volgeladen met wapens en andere spullen. De schepen voeren hiermee naar West-Afrika (groene pijl).

      In Afrika kochten Nederlandse kooplieden slaven van Afrikaanse stamhoofden. Er werd in die tijd veel oorlog gevoerd tussen verschillende stammen in Afrika. Een stamhoofd nam zijn vijanden gevangen en voerde ze naar de kust. Daar verkocht hij ze als slaven aan een koopman. In ruil voor de slaven kreeg het stamhoofd onder andere geld en wapens. Met die wapens kon hij weer een nieuwe oorlog voeren.

      Als er genoeg slaven waren om een schip mee te vullen, voer het naar Amerika oftewel 'West-Indië' (rode pijl). In de Nederlandse koloniën Curaçao en Suriname werden de slaven verkocht. Ze moesten werken op de plantages daar.

      De schepen voeren de producten die van de plantages kwamen, zoals koffie, tabak en suiker, mee terug naar Europa (blauwe pijl). De producten werden daar voor veel geld verkocht. En dan begon een nieuwe driehoek. In totaal zijn zo'n 500.000 slaven door Nederlandse kooplieden verkocht. Dat is ongeveer 5% van de totale slavenhandel in die tijd.

    2. Nederland en slavernij

      Nederland heeft meegedaan aan de slavernij. De Nederlandse WIC heeft veel slaven gekocht in Afrika en verkocht in Zuid-Amerika. Dit waren ongeveer 500.000 slaven in totaal. In die tijd was het normaal om in slaven te handelen. Ook andere landen deden eraan mee.

    3. Fort Elmina

      De slaven die de Nederlanders kochten, werden naar Fort Elmina gebracht. Dat was een fort aan de kust van Ghana in Afrika. De slaven werden daar in donkere kelders opgesloten, net zolang totdat er genoeg waren om een heel schip mee te vullen. Dan begon een vreselijke reis over zee naar Amerika.

      Fort Elmina werd in 1482 gebouwd door de Portugezen. Ze bouwden het aan de kust. Zo was het heel makkelijk om goederen op schepen te laden en te vervoeren.

      De Nederlanders wilden het fort ook graag hebben. Ze probeerden het daarom van de Portugezen af te pakken, maar het fort  leek 'onneembaar'. Uiteindelijk lukte het hen in 1638 toch om het te veroveren. De Nederlanders waren nu de baas over het fort.

      Fort Elmina is tot 1872 van de Nederlanders gebleven. Daarna werden de Engelsen er de baas. Tegenwoordig is het fort een museum waar je meer kunt leren over de geschiedenis van het fort en de slavernij.

    4. Op het schip

      Ruim tweehonderd jaar lang haalden
      Nederlandse kooplieden mensen uit Afrika, en brachten hen per schip over naar Amerika en verder. Er werden zo'n 300 tot 600 slaven per keer vervoerd.

    5. Slavenschip

      Dit is een plattegrond van een slavenschip. Op het plaatje zie je goed hoe dicht de mensen op elkaar moeten zitten.

    6. Slaven te koop

      Nederlandse handelaren brachten de slaven, per schip, helemaal naar de andere kant van de oceaan. Vaak naar Curaçao en Suriname. De slaven die de verschrikkelijke reis overleefd hadden, gingen daar van de boot af. Ze kregen vers eten en drinken en werden opgeknapt. Daarna werden ze op een slavenmarkt verkocht.

      De bazen van de plantages kwamen naar de slavenmarkt. Ze zochten er naar nieuwe slaven voor het zware werk op de plantages. Het moeste jonge, gezonde slaven zijn. Jonge en gezonde slaven waren sterker, werkten harder en leefden langer dan oude of zieke slaven.

      Een bekende slavenmarkt was die op Plantage Zuurzak. Deze plantage lag in Willemstad. Dat is nu de hoofdstad van Curaçao. Vanaf deze plek moesten slaven vaak opnieuw op een boot, naar Suriname. Ze gingen mee met hun nieuwe eigenaar om op zijn plantage te werken.

    7. Op de plantage

      De meeste slaven kwamen terecht op Curaçao en in Suriname. Daar moesten ze werken op plantages. Dit zijn grote velden vol met bijvoorbeeld suikerriet, koffie- en tabaksplanten. De meeste slaven werkten daar op het veld. Maar sommige slaven werkten bij de plantagehouder in huis. Zij deden het huishouden.

      De plantagehouder was de eigenaar van de plantages. Vaak had hij iemand in dienst die de slaven controleerde tijdens het werk op het veld. Deze slavendrijver zorgde ervoor dat de slaven hun werk goed deden en niet wegliepen.

      Tijdens het werk op het veld was het vaak erg warm. Ook kregen de slaven maar weinig pauze. Als ze niet hard genoeg werkten kregen ze bovendien zware straffen. Hoe harder er werd gewerkt, hoe meer er was om te verkopen en hoe meer geld de plantagehouder kon verdienen.

    8. Gebrandmerkt

      Slaven werden gebrandmerkt. Een gloeiendheet ijzeren stempel werd twee tellen tegen de huid van de slaaf gehouden. Aan het litteken van de brandwond kon je zien van wie de slaaf was. Slaven die naar Fort Elmina werden gebracht kregen een brandmerk met het teken van de WIC. Zij waren de nieuwe eigenaar van de slaven.

      De slaven die de lange overtocht naar Amerika hadden overleefd werden daar opnieuw gebrandmerkt. Dit keer door hun nieuwe eigenaren, de plantagehouder.

      Met het brandmerken van een slaaf konden eigenaren laten zien dat de slaaf van hen was. Dit betekent dat slaven niet vrij zijn. Ze zijn het eigendom van iemand anders. De eigenaar bepaalt dan wat de slaven doen. Hun hele leven werd bepaald door de slaveneigenaar.

    9. Geketend

      Als slaaf was je het bezit van iemand en had je zelf niets te vertellen. Je moest gedwongen werken. Hoe je leefde en woonde, bepaalde je eigenaar. Vaak werd je geketend. Bijvoorbeeld met een slavenhalsband.

      Als je zo'n halsband om had, kon je je nek niet laten rusten. Je moest je hoofd de hele tijd omhoog houden. Dat was heel vermoeiend. Je kon daardoor ook niet goed slapen en je was veel sneller moe. Soms kreeg je ook een metalen ketting om je enkels. Zo kon je moeilijk ontsnappen.

      In Suriname vluchtten de slaven die het toch gelukt was om te ontsnappen diep het oerwoud in. Daar leefden ze met z'n allen bij elkaar in vrijheid. Deze mensen noemen we Marrons.

    10. 'De Negerhut van Oom Tom'

      Vanaf het einde van de achttiende eeuw vonden steeds meer mensen slavernij onmenselijk. Ze wilden hun ideeën verspreiden. Dat deden ze bijvoorbeeld door er boeken over te schrijven. Een heel bekend en belangrijk voorbeeld hiervan is 'De Negerhut van Oom Tom'. Dit is een Amerikaans boek uit 1852 dat gaat over het zware leven van slaven.

      'De Negerhut van Oom Tom' werd geschreven door Harriet Beecher Stowe. De hoofdpersoon uit het boek is de slaaf Oom Tom. Hij werkt op de plantage van meneer Shelby. Voor een slaaf heeft hij het daar niet slecht.  Maar omdat meneer Shelby veel schulden heeft moet hij Oom Tom verkopen aan een gemene eigenaar. Veel mensen leefden mee met de slaven in het boek.  

      Door boeken als 'De Negerhut van Oom Tom' gingen in die tijd steeds meer mensen anders over slavernij denken. Ze vonden dat een mens niet het eigendom van iemand anders mocht zijn en niet gedwongen kon worden om te werken. Uiteindelijk schaften steeds meer landen de slavernij af.

    11. Slavernij afgeschaft

      Dit beeld staat in het Oosterpark in Amsterdam. Het is een monument om de afschaffing van de slavernij te herdenken. Beatrix onthulde het op 1 juli 2002. Nederland was één van de laatste landen die de slavernij afschafte. Dat was op 1 juli 1863.

      Nu wordt er in Suriname op 1 juli feest gevierd. Dit feest heet Keti Koti. Keti Koti betekent 'gebroken ketens'. De mensen in Suriname dansen, zingen en eten die dag met z'n allen op straat. De slachtoffers van de slavernij worden de avond voor het feest herdacht.

      Keti Koti wordt ook op sommige plekken in ons land gevierd. Door het feest en het monument proberen de mensen de slavernij niet te vergeten. Het is een zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.

Vensterplaten

17e en 18e eeuw

Buitenhuizen

Rijk wonen buiten de stad

    1. Vakantiehuis

      Dit is het buitenhuis Goudestein. Het ligt in Maarssen aan de rivier de Vecht. Tijdens een tochtje langs of over deze rivier kom je nog veel meer buitenhuizen tegen, ook wel buitenplaatsen genoemd. Het zijn de vakantiehuizen van steenrijke Amsterdamse kooplieden uit de zeventiende en achttiende eeuw. Het lijken wel paleizen!

      Vooral in de zomer wordt er veel gebruik gemaakt van de buitenhuizen. Amsterdam is in de zeventiende eeuw een erg drukke en vieze stad. Er bestaan dan nog geen vuilniswagens en riolen. Huisvuil, plas en poep... alles belandt gewoon op straat en in de grachten. Vooral in de broeierige zomerzon kan het er daarom erg stinken.

      In hun buitenhuizen kunnen de rijke families de drukke en vieze stad even ontvluchten en genieten van de ruimte, de natuur en de frisse lucht.

      Als het slechter gaat en de welvaart in Nederland afneemt worden de buitenhuizen te duur. Zo'n luxe huis en zo'n grote tuin onderhouden kost natuurlijk erg veel geld en dat is er niet meer. Veel Amsterdamse kooplui moeten hun buitenhuis verkopen.

      Gelukkig worden ze niet allemaal afgebroken. Er zijn er nu nog steeds heel veel. In de meeste buitenhuizen wonen nu geen gezinnen meer. Je vindt er kantoren van bedrijven.
      Sommige buitenhuizen zijn te huur voor een bruiloft of een feest.

    2. Aan het water

      Dit buitenhuis staat aan de Vecht. Aan deze rivier zijn in de zeventiende en achttiende eeuw ongeveer 200 buitenhuizen gebouwd. Als je nu deze statige buitenhuizen wilt bekijken, hoef je alleen maar de Vecht te volgen!

      De rivier de Vecht ligt tussen Amsterdam en Utrecht in. De meeste buitenhuizen uit de zeventiende en de achttiende eeuw staan aan deze rivier. Dat is niet toevallig! Een buitenhuis aan het water is niet alleen erg mooi, maar ook erg handig. De rijke koopmanfamilies nemen zoveel spullen mee, dat ze met een trekschuit (boot) naar hun buitenhuizen moeten afreizen. Over de Vecht is het vanuit Amsterdam maa een paar uur varen en dan ben je er.

    3. Een grootscheepse verhuizing

      Vanuit de stad Amsterdam reizen de rijke koopmansfamilies met volgeladen trekschuiten naar hun buitenhuizen. Je kunt er veel mee vervoeren. Dat is handig, want de rijke kooplieden nemen vaak heel veel spullen mee naar hun buitenhuis. Van theeservies en borden, tot boeken, biljarttafels en hengels. Alles gaat mee op de trekschuit.

      In de zeventiende eeuw is de trekschuit een belangrijk vervoermiddel. Een trekschuit is een boot die door een paard, dat op de wal loopt, wordt voortgetrokken.

      De trekschuit is er niet alleen maar voor rijke gezinnen. Ook veel gewone mensen maken gebruik van de trekschuit. Het is in die tijd de makkelijkste manier om mensen en spullen te vervoeren.Er worden daarom in die tijd veel kanalen aangelegd waar de trekschuit over kan varen. Deze kanalen noemen we 'trekvaarten'. Op deze trekvaarten mogen alleen trekschuiten varen, geen grote schepen.

      Een trekschuit gaat niet zo heel snel. Hij gaat maar drie of vier kilometer per uur. De schipper moet zich wel houden aan een dienstregeling. En dat doet hij heel nauwkeurig. De schipper wacht niet op mensen die te laat zijn.

      Lange tijd blijft de trekschuit een populair vervoermiddel. Totdat in negentiende eeuw de trein wordt uitgevonden. Treinen gaan veel sneller dan de trekschuit, daarom wordt die steeds minder gebruikt.

    4. Tuinen

      Ook de tuinen die bij de buitenhuizen horen zijn prachtig. Er wordt veel tijd besteed aan het aanleggen van de tuinen. Iedereen wil een tuin om jaloers op te worden. Daarom is de ene tuin nog mooier en groter dan de andere. Het lijken het wel parken!

      De ontwerpers kijken bij het bedenken van de tuinen goed naar de Franse tuinen uit die tijd. Deze tuinen zijn heel populair in de zeventiende eeuw. De Franse tuinen hebben vaak rechte lijnen en hoeken.

      De Hollanders mixen de Franse stijl met hun eigen ideeën. Zo versieren de Hollanders de tuinen veel meer en zetten er bijvoorbeeld theehuisjes in. Er kwamen ook vijvers, kanaaltjes, fonteinen en doolhoven in de tuinen. Zo ontstaat de siertuin in Hollandse stijl.

      Naast een mooie siertuin is er op het landgoed ook een moestuin, een kruidentuin en een boomgaard aanwezig. Zo kan de tuinman van de familie eigen kruiden en groenten verbouwen. Ook worden er vissen in de vijvers uitgezet zodat er in gevist kan worden.

      Veel van deze tuinen zijn nog steeds te bewonderen. Ze zijn zo goed onderhouden dat we er nu nog doorheen kunnen wandelen.

    5. Kopje thee?

      Dit is een theekoepel. Theekoepels zijn een Nederlandse uitvinding. Het is een apart huisje in de tuin van het buitenhuis waar thee wordt gedronken. In die tijd is thee heel duur omdat het helemaal uit China moet komen. Daarom drinken alleen heel rijke mensen thee. Door een theekoepel in je tuin neer te zetten kun je aan iedereen laten zien hoe rijk je bent.

    6. Een gouden eeuw

      De meeste buitenhuizen zijn gebouwd in de zeventiende eeuw. Die eeuw wordt ook wel de Gouden Eeuw genoemd. Nederland is dan handelsland nummer één en een van de rijkste landen ter wereld. Nederlandse kooplieden varen met schepen de hele wereld over op zoek naar kostbare goederen die ze voor veel geld kunnen verkopen.

      Vooral in Amsterdam wonen veel rijke kooplieden. Het grootste deel van het jaar wonen ze in statige grachtenpanden. Daar staan ook de pakhuizen waar de kooplieden hun handelswaar opslaan. Ze handelen in graan en wol en ook in koffie, thee, suiker en specerijen. Daar verdienen ze enorm veel geld mee.

      De rijke kooplieden hebben geld genoeg om aan de rivier de Vecht een tweede huis te laten bouwen. Zo kunnen zij in de zomer de drukke, stinkende stad ontvluchten. In hun buitenhuizen genieten ze van de ruimte, de natuur en de frisse lucht.

    7. Pruikentijd

      Je ziet het echt goed... deze man draagt een pruik! Dat is in de achttiende eeuw heel normaal voor rijke mensen, ook voor mannen. Daarom noemen we de achttiende eeuw ook wel de Pruikentijd.

      In de achttiende eeuw gaan de mensen niet onder de douche. En in bad gaan doe je alleen op doktersadvies. Je wast alleen af en toe je gezicht, je handen of voeten. Wat een stank moet dat geweest zijn! Maar de rijke mensen hebben een oplossing tegen vieze geurtjes. Ze gebruiken parfum. Héél veel parfum!

      Een andere oplossing is de pruik. Deze pruik zetten de rijke mensen over hun vieze, vettige haren. Een pruik is schoon en zit altijd goed in model. Mannen, vrouwen en soms zelfs kinderen…allemaal zetten ze een pruik op. Zo zien ze er altijd prachtig uit!

    8. Familie Huydekoper

      Dit is Joan Huydekoper, een rijke koopman uit de zeventiende eeuw. Zijn familie laat een van de eerste buitenhuizen in Nederland bouwen. Zij kopen een stuk land in Maarssen. In 1628 laat Joan op die plek het buitenhuis 'Goudestein' bouwen. In 1754 wordt dat weer afgebroken en vervangen door een nieuw paleisje. Dit staat er nu nog steeds.

      Het luxe leven van de rijke koopmanfamilie Huydekoper gaat in hun buitenhuis gewoon verder. Alleen hebben ze nu geen last meer van stank en drukte van de stad. De kinderen kunnen hier buitenspelen in de grote tuinen en pootje baden in de vijvers.

      Vader Huydekoper moet af en toe weer terug naar de stad om te werken en geld te verdienen. Maar vaak blijven er genoeg mensen over om een leuke vakantie mee te hebben. Vrienden, familie maar ook schrijvers en kunstenaars worden uitgenodigd om langs te komen. De vrouwen kunnen thee drinken in het theehuisje en de mannen kunnen op vinkenjacht.

      Ook worden er chique feesten en dure etentjes georganiseerd. Het is daarom heel belangrijk hoe het huis er van binnen uitziet. De mensen die worden uitgenodigd moeten aan de inrichting zo goed mogelijk kunnen zien hoe rijk de familie is.

      Tot ver in de 20e eeuw is het paleis in het bezit gebleven van de familie Huydekoper. In 1955 heeft de gemeente Maarssen het gekocht en verbouwd tot gemeentehuis.

Vensterplaten

1744-1828

Eise Eisinga

De Verlichting in Nederland

    1. Eise Eisinga

      Tussen 1774 en 1781 bouwt Eise Eisinga in zijn huis iets heel bijzonders: een planetarium, ons eigen zonnestelsel op schaal. Het is het oudste nog werkende planetarium ter wereld.

    2. Eise de wolkammer

      Dit is het gereedschap van een wolkammer. Een wolkammer bewerkt wol. Van ruwe schapenwol maakt hij mooie woldraden die gebruikt worden voor het maken van kleding. Het bedrijf van een wolkammer heet een wolkammerij. Na de lagere school gaat Eise Eisinga werken in de wolkammerij van zijn vader. Hij verdient er veel geld mee.

      Het vak van wolkammer is erg zwaar. Het werk is bovendien niet fijn door de stank van zweet en wol én door de hitte. Wolkammers zijn in de tijd van Eise Eisinga wel de best betaalde textielwerkers.

    3. Dominee Eelko Alta

      In 1774 schrijft de Friese dominee Eelko Alta een boek. In het boek zegt hij dat er die zomer een ramp gaat gebeuren! In zijn kerk houdt hij er ook preken over. Vier planeten en de maan komen met elkaar in één lijn te staan. Dat zal als gevolg hebben dat de aarde richting de zon zal worden geslingerd. Alles wat erop leeft zal verbranden.

      Veel mensen raken in paniek. Maar Eise gelooft er niks van. Hij weet heel veel van het heelal. Planeten staan ver van elkaar en hebben elk hun eigen baan. Er zal geen ramp gebeuren. Om dat te bewijzen bouwt hij in zijn huis een planetarium.

    4. Ons zonnestelsel

      Een planetarium is een schaalmodel van ons zonnestelsel. Je kunt er precies op zien waar de zon, de aarde en de andere planeten staan. En je kunt zien hoe de planeten rondom de zon draaien.

      In het midden van het zonnestelsel staat de zon. De zon draait niet. Alle andere planeten draaien rondom de zon. Hoe dichterbij een planeet bij de zon staat, hoe warmer het er is. Mercurius staat het dichtst bij de zon. Daar is het overdag wel 430 graden! Heel ver van de zon vandaan staat Neptunus. Op deze planeet is het ijskoud, het vriest daar 220 graden. De aarde is de enige planeet die precies goed is om op te leven: niet te koud, en niet te warm. In totaal draaien er acht planeten om de zon. Soms draait er nog weer een planeetje om een planeet, zoals de maan om onze aarde.
      In een planetarium zijn al die planeten en soms ook de manen in het klein nagemaakt.

    5. Het planetarium van Eise Eisinga

      Dit is het planetarium van Eise Eisinga. En het is ook het plafond van zijn woonkamer. In 1774 begint Eise aan de bouw van een planetarium in zijn eigen huis! Samen met zijn vader werkt hij er zeven jaar aan. In 1781 is het planetarium af.

      Eise maakt het plafond van zijn woonkamer blauw. Dat is het heelal. In het midden schildert hij de zon. En daar rondom maakt hij gouden cirkels. Dat zijn de banen van de planeten. In elke baan hangt ook een planeet aan het plafond. Die kan echt bewegen! Eise heeft alle banen heel precies uitgezaagd. De planeten kunnen bewegen door de gleuven die hij maakt. Het lijkt een beetje op een gordijn aan een rails, die kun je ook bewegen.
      De planeten Uranus en Neptunus vind je niet in Eise's planetarium. Die zijn pas later ontdekt. Dat is maar goed ook, want Uranus en Neptunus staan zo ver van de zon af, dat ze nooit in het huis van Eise hadden gepast.
      Met zijn planetarium kan Eise laten zien dat de planeten nooit op elkaar zullen botsen. Planeten kunnen niet botsen, want ze hebben allemaal hun eigen baan!

    6. Het raderwerk op zolder

      Hier zie je het knapste deel van Eise's planetarium: het raderwerk. Dit zorgt ervoor dat de planeten in zijn planetarium echt kunnen draaien! En dat niet alleen: ze draaien ook nog eens net zo snel als in het echt! De mini-aarde van Eise draait in 365 dagen rond de zon, net zoals de echte aarde.

      Op de zolder van zijn huis, boven de woonkamer, bouwde Eise een groot raderwerk met tandwielen. Het werkt ongeveer net zoals een klok. De kleine wijzer van een klok draait langzaam, de grote wijzer draait snel en de secondewijzer heel snel. Zo draaiden de planeten van Eise rond de zon. Sommige snel, bijvoorbeeld Mercurius. En sommige heel langzaam, Saturnus bijvoorbeeld. Die doet er meer dan 29 jaar over één rondje!

    7. Help mijn man is klusser!

      Dit is Pietje Jacobs, de vrouw van Eise. Zij leeft zeven jaar lang in een woonkamer vol zaagsel, stof en gereedschap. Zelfs de bedstee van haar en Eise wordt verbouwd!

      Eise heeft nergens meer ruimte over voor de gewichten van het slingeruurwerk dat de maan en de aarde laat draaien. Uiteindelijk komt daarom een deel van het slingeruurwerk in de bedstee terecht! Als Eise en zijn vrouw in bed liggen, slingert boven hun hoofd het uurwerk heen en weer.

    8. Eise Eisinga en de Verlichting

      Eise vindt het belangrijk om veel te weten en goed na te denken. Dat vinden veel mensen in zijn tijd. We noemen dat de 'Verlichting'. Je moet niet zomaar alles geloven wat er verteld wordt, je moet zelf nadenken. Door je verstand te gebruiken, kun je de wereld beter maken.

      Na de lagere school wil Eise blijven leren. Hij studeert zelf in allerlei boeken, vooral wiskunde en sterrenkunde. Dat vindt hij het interessantst. Elk moment van zijn vrije tijd besteedt hij aan wiskunde en sterrenkunde. Als hij vijftien jaar is, schrijft hij al een wiskundeboek! Eise leidt zichzelf op tot astronoom: iemand die alles van het heelal weet.

    9. Koninklijk bezoek

      Het verhaal over het planetarium van Eise gaat het hele land door. Zelfs de koning hoort er van! In 1825 komt koning Willem I op bezoek in Franeker. Hij vindt het planetarium zó bijzonder, dat hij het wil kopen.

      Koning Willem I wil één gulden betalen voor elke spijker die in het planetarium zit. En dat zijn er nogal wat! Want Eise heeft namelijk radertjes zelf gemaakt, uit stukken hout en…. spijkers! Hij krijgt 10.000 gulden voor het planetarium. Dat is in die tijd nog veel meer waard dan 10.000 euro tegenwoordig. Eise moet alleen beloven dat mensen zijn huis van binnen mogen bekijken. En dat hij hen zal uitleggen hoe het planetarium werkt.
      Dertig jaar later, in 1859, geeft de koning het planetarium aan de stad Franeker. Sinds die tijd wordt het planetarium goed bewaard. Het huis van Eise Eisinga is nu een museum, je kunt het planetarium zelf bekijken. En het draait nog steeds!

Vensterplaten

1780-1795

De patriotten

Crisis in de Republiek

    1. Prins Willem de Vijfde

      Dit is een schilderij van prins Willem de Vijfde van Oranje Nassau. Tweehonderd jaar geleden is Nederland nog geen koninkrijk maar een republiek. Een land zonder koning. Wel is er is een stadhouder die het land bestuurt. Hij is verre familie van onze koningin. Willem de Vijfde is zo'n stadhouder.

      Willem de Vijfde is geen koning, maar toch gedraagt hij zich wel zo. Hij woont in een mooi paleis en hij is getrouwd met prinses Wilhelmina van Pruisen. Ze is de zus van de koning van Pruisen.

      Willem de Vijfde bestuurt het land, met de hulp van een kleine groep rijke burgers. Hij heeft als baas van het leger best veel macht. Maar steeds meer mensen zijn het niet eens met de manier waarop Willem het land bestuurt. Ze vinden dat de stadhouder teveel macht heeft. Ze noemen zich 'patriotten'.

    2. De Patriotten

      In de tweede helft van de achttiende eeuw is ons land niet meer zo rijk. De Gouden Eeuw is nu echt voorbij. Het land raakt zelfs in een crisis. Steeds meer mensen zeggen dat stadhouder Willem de Vijfde de schuld is van de crisis. Deze mensen noemen zich 'patriotten'.

      In de Gouden Eeuw (1600-1700) verdiende Nederland heel veel geld aan de handel over zee. Maar in de tweede helft van de achttiende eeuw gaat het slecht met ons land. Er is zelfs crisis. Door een oorlog met Engeland leidt het land zware verliezen. De handel over zee ligt stil en er wordt bijna niets meer verdiend. Steeds meer mensen hebben honger. De Patriotten vinden dat het allemaal de schuld is van stadhouder Willem de Vijfde en van een aantal rijke families die al heel lang de baas zijn in ons land. Dat moet veranderen!

    3. De Orangisten

      Dit is Kaat Mossel. Eigenlijk heet ze Catherina Mulder. Ze is een beroemde orangist. Orangisten zijn aanhangers van stadhouder Willem de Vijfde. Ze blijven hem trouw. Ze vinden dat de stadhouder juist méér macht moet krijgen, zodat hij zijn werk beter kan doen.

      Kaat Mossel is een doodgewone vrouw die mossels verkoopt in Rotterdam. Ze is fel tegen de patriotten. Regelmatig organiseert ze samen met haar vriendinnen demonstraties tegen de patriotten. Meestal leiden deze demonstraties tot geweld en brandstichting.

      Ook vallen ze de patriotten lastig op de verjaardag van Willem de Vijfde. Ze moeten oranjelinten dragen en geld geven ter ere van de stadhouder. Uiteindelijk wordt Kaat opgepakt en gevangengezet.

    4. 'Aan het volk van Nederland'

      De patriotten schrijven kranten en pamfletten om te laten zien dat het anders moet in Nederland. Een pamflet is een soort poster met kritische teksten erop. Ze worden stiekem verspreid. Een van de meest bekende pamfletten uit die tijd is 'Aan het volk van Nederland'. Het is geschreven door Johan Derk van der Capellen.

      Johan Derk van der Capellen is een van de leiders van de patriotten. Hij vindt het heel belangrijk dat iedereen zijn boodschap te lezen krijgt. Daarom verspreidt hij zijn pamflet over heel Nederland. Hij roept iedereen op om zich te verzetten tegen stadhouder Willem de Vijfde, die hij de grote onderdrukker noemt. Johan is bang om opgepakt te worden, daarom zet hij zijn naam er niet onder. Het pamflet wordt 's nachts in het diepste geheim bij de mensen onder de deur door geschoven.

    5. Keeshond

      De orangisten en patriotten maken elkaar belachelijk in spotprenten. Spotprenten zijn tekeningen waarin je je tegenstander voor gek zet. De orangisten noemen de patriotten keeshondjes. Dit is een spotprent tegen de vrijkorpsen van de patriotten.

      De patriotten hebben veel kritiek op stadhouder Willem de Vijfde. Maar ze zijn bang om straf te krijgen. Daarom leveren ze hun kritiek stiekem. Dat doen ze door bijvoorbeeld spotprenten te maken.
      De orangisten doen al snel hetzelfde. Het gaat hard tegen hard. De orangisten noemen de patriotten keeshondjes. De patriotten tekenen de orangisten als domme ezels en stadhouder Willem de Vijfde als een dronken zwijn.

    6. Vrijkorpsen

      De stadhouder is ook de baas van het leger. Willem de Vijfde heeft daarom veel macht. Maar de patriotten richten kleine legertjes op waarover Willem géén macht heeft: vrijkorpsen. Ze leggen geld bij elkaar en kopen geweren en uniformen. Er zijn regelmatig flinke vechtpartijen tussen de patriotten en de orangisten. Er vallen zelfs doden.

      In sommige steden in het westen van het land grijpen de patriotten de macht. De patriotten krijgen het voor het zeggen in steden zoals Haarlem, Gouda, Utrecht en Delft. Hier nemen zij nu de besluiten.

      Willem de Vijfde heeft er niets meer te vertellen. Hij is bang voor de patriotten met hun wapens. Samen met zijn vrouw en kinderen vlucht Willem vanuit Den Haag naar Nijmegen. De Patriotten denken dat ze de strijd nu gewonnen hebben.

    7. Wilhelmina van Pruisen

      Willem de Vijfde is bang voor de patriotten met hun wapens. Samen met zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen vlucht hij vanuit Den Haag naar Nijmegen. De patriotten denken nu dat ze gewonnen hebben. Willem vindt het eigenlijk ook wel best zo. Maar Wilhelmina laat het er niet zomaar bij zitten. Zij zal wel eens even laten zien wie de baas van het land is.

      Wilhelmina vertrekt met een koets richting Den Haag. Maar onderweg houden patriotten haar tegen. Bij het plaatsje Goejanverwellesluis (vlak bij Gouda) moet Wilhelmina wachten in een boerderij. Ze mag voorlopig niet verder reizen. Uiteindelijk heeft Wilhelmina geen andere keus dan terug te keren naar Nijmegen. Ze is diep beledigd!

    8. Goejanverwellesluis

      Goejanverwellesluis is een klein plaatsje in de buurt van Gouda. Op 28 juni 1787 wordt Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van Willem de Vijfde, door een aantal patriotten opgepakt en hier vastgehouden. Ze moet wachten in een boerderij en mag voorlopig niet verder reizen.

      Wilhelmina was eigenlijk onderweg van Nijmegen naar Den Haag. Maar uiteindelijk kan ze weinig anders doen dan terugkeren naar Nijmegen. Ze is diep beledigd! In een brief vraagt Wilhelmina haar broer, de koning van Pruisen, om hulp. Hij stuurt een leger van maar liefst 20.000 soldaten!

      Dit leger is veel te sterk voor de patriotten. De meesten vluchten naar Frankrijk. Willem en Wilhelmina kunnen nu weer terug naar Den Haag. Willem is er weer de baas. Maar als een paar jaar later Franse legers Nederland veroveren, keren de patriotten terug. Willem, Wilhelmina en hun kinderen moeten naar het buitenland vluchten.

    Vensterplaat De Patriotten. Voor docenten:  Vensterles groep 5-8Illustratie: J.J. de Wetstein Pfister.

Vensterplaten

1769-1821

Napoleon Bonaparte

De Franse tijd

    1. De Franse tijd in Nederland

      In de winter van 1795 valt het Franse leger over de bevroren rivieren Nederland binnen. Ze veroveren met ons gemak ons land. De 'Franse Tijd' duurt twintig jaar.
      Bekijk de clip over de Franse Tijd!

    2. Napoleon Bonaparte

      Napoleon Bonaparte is een generaal in het Franse leger. In 1799 zet hij de Franse regering aan de kant. Napoleon neemt de macht over in Frankrijk en in alle gebieden die Frankrijk had veroverd, dus ook in Nederland. In 1804 kroont hij zichzelf tot keizer van Frankrijk.
      Bekijk de clip 'Wie is Napoleon?'

    3. Lodewijk Napoleon

      Dit is Lodewijk Napoleon, de broer van Napoleon Bonaparte. Napoleon wil in alle landen die hij veroverd heeft iemand uit zijn familie op de troon zetten. Ze moeten hem helpen zijn grote rijk te besturen. In 1806 maakt Napoleon zijn broer Lodewijk koning van Nederland, dat vanaf dat moment 'het Koninkrijk Holland' genoemd wordt.

      Lodewijk wil graag een goede koning zijn. Hij neemt meteen lessen om de Nederlandse taal te leren. En om zijn nieuwe koninkrijk goed te leren kennen gaat hij veel op reis door Nederland.

      Als in Leiden een kruitschip ontploft, haast Lodewijk zich meteen naar de ramp plek om te helpen. Hij geeft geld en verzorgt gewonden. Hij helpt zelfs mee met puinruimen.

      Lodewijk krijgt als bijnaam 'Lodewijk de Goede'. Maar Napoleon Bonaparte vindt dat Lodewijk Napoleon te weinig naar hem luistert en te veel denkt aan wat goed voor Nederland is. Daarom laat hij Lodewijk in 1810 terugkomen naar Frankrijk. Napoleon lijft Holland bij Frankrijk in. Vanaf dat moment is Nederland een onderdeel van het Franse keizerrijk.

    4. Het paleis op de Dam

      Dit is het Paleis op de Dam. Misschien heb je het wel eens gezien toen je in Amsterdam was. Het gebouw komt uit 1665 en is gebouwd als stadhuis. In 1808 wordt het gebouw het koninklijk paleis van Lodewijk Napoleon. In 1810 lijft zijn broer Keizer Napoleon Bonaparte Nederland bij Frankrijk in en wordt het zelfs even een keizerlijk paleis.

    5. Rechts rijden

      Hoe komt het dat wij allemaal aan de rechterkant van de weg rijden? Rond 1800 rijdt iedereen op zijn paard of in zijn koets nog kris kras door elkaar. Napoleon bedenkt dat wanneer iedereen aan de rechterkant van de weg rijdt, er minder ongelukken gebeuren. Daarom voert hij dat als regel in.

    6. Vechten in het leger van Napoleon

      Dit zijn soldaten uit het leger van Napoleon. Zie je de kleuren van hun uniformen? Die zijn heel opvallend. Heel anders dan de camouflerende kleuren van de uniformen die soldaten nu dragen. De kleuren van het pak van de soldaten van Napoleon zijn heel belangrijk.

      In de tijd van Napoleon worden oorlogen op een andere manier gevoerd dan nu. Nu zijn er raketten of scherpschutters die van een grote afstand kunnen vuren. Dat is dan wel anders: je moet echt naar de vijand toe. Op het slagveld is het een drukte van jewelste. Door de damp van het kruit waar de soldaten mee schieten zie je maar weinig. De felle kleuren zijn dus hard nodig om te weten wie je vijand en wie je vriend is!

    1. Napoleon verandert veel in Nederland

      Aan Napoleon danken veel mensen hun familienaam, want hij zorgt ervoor dat iedereen wordt ingeschreven bij de burgerlijke stand. Daarvoor moet iedere familie die nog geen achternaam heeft een familienaam kiezen. De burgerlijke stand is de plek op het gemeentehuis waar bijgehouden wordt wie geboren, getrouwd of gestorven is.

      Door het invoeren van de burgerlijke stand weet Napoleon precies wie er in zijn rijk wonen. En waar. Dat is handig, want zo kan Napoleon precies uitzoeken wie hij bijvoorbeeld kan oproepen om in zijn leger te dienen en wie hij belasting kan laten betalen.

      Napoleon verandert veel in de landen die bij zijn keizerrijk horen. Hij zorgt voor een 'moderne' regering, met duidelijke wetten. Iedereen is voortaan gelijk voor de wet en een rechtszaak is altijd openbaar.

      De Nederlanders reageren verschillend op deze vernieuwingen. Sommigen vinden het nieuwe Franse wetboek (de 'Code Napoléon') een enorme verbetering. Het nieuwe wetboek is volgens hen veel beter; het maakt bijvoorbeeld geen verschil meer tussen gewone mensen en edelen.

      De mensen die tegen de Code Napoléon zijn, vinden dat Napoleon geen rekening houdt met de plaatselijke gewoonten en afspraken. Ook met de dienstplicht voor jonge mannen zijn veel mensen het niet eens. Zeker niet als er steeds meer oorlogen komen waar soldaten voor nodig zijn.

      Als Napoleon in 1815 wordt verslagen, denkt niemand erover om zijn veranderingen weer af te schaffen. Het nieuwe wetboek blijft bestaan, net als veel andere moderniseringen.

    2. Dienstplicht

      De Franse keizer Napoleon Bonaparte wil over héél Europa regeren. Daarom voert hij veel oorlogen. Voor die oorlogen heeft hij heel veel soldaten nodig. Om al die soldaten te verzamelen, voert Napoleon de dienstplicht in. Hij verzint een lotingsysteem: Elke man krijgt een lot. Als je een laag nummer hebt, moet je het leger in.

    3. Eenheid in maten en gewichten

      Dit is de officiële kilogram. Het is een stuk brons waarvan Napoleon laat bepalen dat dat voortaan de 'eenheid van gewicht' is. Napoleon voert in elk land waar hij de baas is de kilogram, de liter en de meter in. Heel handig, want tot die tijd zijn maten en gewichten in veel landen anders.

      Engeland heeft Napoleon nooit veroverd, vandaar dat ze daar nog met andere maten en gewichten rekenen (en nog altijd links rijden).

    4. De slag bij Waterloo

      Vlakbij Brussel, op de uitgestrekte velden bij Waterloo, wordt Napoleon Bonaparte voorgoed verslagen door Britse, Pruisische en Nederlandse soldaten...
      Bekijk de clip: De slag bij Waterloo

Vensterplaten

1772-1843

Koning Willem I

Het koninkrijk van Nederland en België

    1. Koning Willem I aan het werk

      Hier zie je koning Willem I in zijn werkkamer in Huis ten Bosch in Den Haag. Hij werd in 1814 tot koning uitgeroepen, nadat de Fransen uit Nederland waren weggejaagd. Hij was de eerste Oranje-koning van Nederland. Hij regeerde van 1814 tot 1840 over het huidige Nederland en België samen. In die tijd was Brussel de hoofdstad van het koninkrijk.

    2. Scheveningen, 30 november 1813

      Op het strand van Scheveningen zingt visser Jacob Pronk keihard 'Oranje boven!' Hij zwaait met zijn oranje wimpel. De sloep met prins Willem Frederik van Oranje-Nassau komt dichterbij. De Fransen zijn eindelijk weg uit Nederland. Gaat de familie Van Oranje nu weer regeren? Jacob brengt de prins in een rijtuig naar Den Haag, zijn oranje vlag gaat mee.

      Jacob denkt terug aan de ijskoude dag in 1795. Toen stond hij ook op het strand van Scheveningen. De Franse legers van Napoleon veroverden Nederland. Stadhouder Willem V moest met zijn gezin naar Engeland vluchten. Zijn zoon, prins Willem Frederik, was toen nog maar 22 jaar. Nu is de prins al 41. Zijn vader is een paar jaar geleden gestorven, en Willem Frederik wil graag koning worden. Visser Jacob is trots en vindt het spannend. Zal de man in zijn rijtuig Nederland gaan regeren? 

    3. Van stadhouder naar koning

      De vader van Willem I was geen koning maar stadhouder. Meer dan 200 jaar geleden was Nederland nog geen koninkrijk maar een republiek, met een stadhouder als baas. De republiek had zeven gewesten (provincies) die vaak ruzie hadden. In 1795 vielen de Franse legers van Napoleon Nederland binnen. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland.

      Wat valt er op aan deze kaart? Nederland en wat nu België is, zijn samen één land: het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

      Nadat Napoleon verslagen was en de Franse legers waren weggejaagd, wilden de leiders van de Europese landen één groot, sterk Nederland. Geen Republiek meer met gewesten die ruzie maakten.

      Stadhouder Willem V was toen al dood, maar zijn zoon prins Willem Frederik van Oranje-Nassau werd koning Willem I van het Koninkrijk der Nederlanden. Het gebied dat nu België heet hoorde daar ook bij. Willem I is de voorvader van onze koning Willem-Alexander.

    4. Besluitenkoning

      Als Willem I koning wordt, gaat hij meteen keihard aan de slag. Hij heeft veel plannen, hij weet goed wat hij wil en neemt graag zelf de beslissingen. De ministers mogen zich niet teveel met hem bemoeien. Per dag zet hij zijn handtekening onder soms wel meer dan honderd koninklijke besluiten. Daarom is een van de bijnamen van Willem I 'besluitenkoning'.

      Wij Willem, bij de gratie Gods, koning der Nederlanden … zo begint ieder koninklijk besluit waar Willem I zijn handtekening onder zet. Dat wil zeggen: "Ik, Willem, die door de goedheid van God koning van Nederland ben ... besluit vandaag dit of dat."

      Willem ondertekent tientallen van deze besluiten per dag, soms zelfs meer dan honderd. Willem is een echte 'workaholic'. Zelfs op eerste kerstdag werkt hij door. Alleen om 4 uur stopt hij even. Dan drinkt hij een kopje thee met zijn vrouw Mimi.

    5. Koopman-koning

      Nederland is heel arm geworden door de oorlog met Frankrijk. Veel mensen zijn werkloos. Willem I wil zijn koninkrijk sterk en rijk maken. In 1824 richt hij de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) op. Dit bedrijf moet de handel en scheepvaart bevorderen. Veel mensen steken er geld in door 'aandelen' te kopen, ook de koning zelf.

      Vooral de handel met de kolonie Nederlands-Indië (tegenwoordig Indonesië) neemt toe. Willem I laat de boeren in de kolonie op een deel van hun akkers koffie en thee verbouwen. Deze producten verkoopt de NHM voor veel geld in Europa. De boeren krijgen helemaal niets van de opbrengst! Willem gebruikt het geld voor het graven van kanalen, bijvoorbeeld de Nieuwe Waterweg bij Rotterdam en het Noord-Hollands Kanaal tussen Amsterdam en Den Helder.

    6. Kanalenkoning

      Als je een land rijker wilt maken, moet je zorgen dat de spullen uit de fabrieken goed en snel vervoerd kunnen worden. Daarom laat Willem I veel kanalen graven in het hele land, zodat schepen van de fabrieken naar andere steden kunnen varen. En vanaf 1839 - als de eerste spoorlijn in Nederland wordt geopend - komen daar de goederentreinen bij.

      Aan het Noord-Hollands Kanaal, 80 kilometer lang en 37 meter breed, wordt vijf jaar lang gewerkt door 5.000 arbeiders met schep en kruiwagen. Voor een lange werkdag van veertien uur krijgen ze ongeveer één gulden loon. In 1824 is het kanaal klaar.

      In vergelijking met andere landen duurt het lang voor Nederland spoorwegen krijgt. Boeren zijn bang dat hun koeien ervan schrikken. Schippers zijn bang dat ze hun werk verliezen. Artsen denken dat de hoge snelheid (wel 35 kilometer per uur!) ongezond is voor passagiers. Maar Willem gelooft wel in het spoor. In zijn werkkamer had hij een kleine trein staan waarin hij zijn sigaren bewaarde. In 1839 rijdt de eerste stoomtrein tussen Amsterdam en Haarlem.

    7. Opstand in België

      Slecht nieuws voor de koning! 'Dood aan Willem I, tiran van de Nederlanden' schrijven Belgische opstandelingen in 1830. Willem bemoeit zich met hun godsdienst. De kranten mogen niet meer schrijven wat ze willen. En Willem wil dat er Nederlands wordt gesproken. Maar veel Belgen spreken alleen Frans. Ze hebben een hekel gekregen aan Willem.

      Willem vindt de zuiderlingen maar ondankbaar, na alles wat hij voor hen heeft gedaan. Hij wil niet toegeven. Soldaten uit het noorden proberen het leger van de opstandige zuiderlingen te verslaan. Dat mislukt.

      Pas na veel gevechten en druk uit Europa tekent Willem I in 1839 het Scheidingsverdrag met België, negen jaar na het begin van de opstand. Zijn droom van een sterk Verenigd Koninkrijk der Nederlanden spat uit elkaar. Nederland en België zijn voortaan twee aparte landen.

    8. Het koningshuis toen en nu

      Willem-Alexander is nu koning van Nederland. Hij kan niet in zijn eentje beslissingen nemen, zoals zijn voorvader Willem I. Sinds 1848 is dat de verantwoordelijkheid van de ministers, samen met de Tweede en Eerste Kamer. Maar nog steeds is een besluit of wet pas geldig als de koning zijn handtekening heeft gezet. Bijvoorbeeld op zijn iPad!

      Koning Willem-Alexander is de vierde koning van Nederland. De drie eerdere koningen Willem I, II en III leefden allemaal in de 19de eeuw (1800-1900). Daarna zaten er drie koninginnen op de troon: Wilhelmina, Juliana en Beatrix. De koningen en koninginnen van Nederland zijn allemaal familie van elkaar. Hun achternaam is: Van Oranje-Nassau.

      Willem-Alexander en koningin Máxima hebben drie dochters. De oudste dochter Amalia is de kroonprinses. Zij is aan de beurt om koningin worden als Willem-Alexander ermee stopt.

       

    Vensterplaat Koning Willem I. Voor docenten: Vensterles groep 5-8. Illustratie: Thomas Du Caju.

Vensterplaten

1839

De eerste spoorlijn

De opkomst van machines

    1. De Arend

      Op 20 september 1839 werd de eerste spoorlijn van Nederland feestelijk geopend. Locomotief De Arend trok, met een snelheid van 40 kilometer per uur, in een half uurtje negen personenwagons van Amsterdam naar Haarlem. Dat was een grote verandering voor Nederland.

      40 kilometer per uur is voor ons niet erg snel. Tegenwoordig rijden de meeste treinen wel 130 kilometer per uur, en hogesnelheidstreinen zelfs meer dan 400.

      Maar tot 1839 was het snelste vervoermiddel de paardenkoets. Die haalde zo'n 14 kilometer per uur. En hij hobbelde vreselijk. Veel prettiger reisde je in de trekschuit, maar die ging maar 7. Als je op een drafje liep, kon je hem gemakkelijk bijhouden.

      Na de eerste spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem werden er in hoog tempo nieuwe spoorlijnen bij gebouwd. Rond 1900 lag er zelfs meer spoor in Nederland dan tegenwoordig.

      Mensen konden snel en comfortabel door het hele land reizen. De trein had Nederland kleiner en overzichtelijker gemaakt.

    2. Angst voor de trein

      Mens en dier moesten flink wennen aan dat herrie- en rookveroorzakende monster dat door de ooit zo rustige weilanden trok. Er gingen veel spookverhalen rond: dat de koeien geen melk meer zouden geven bijvoorbeeld, of zelfs dat de mens zo'n grote snelheid niet zou overleven. En men was bang voor ongelukken.

      Ongelukken zijn er ook wel gebeurd. Op de foto zie je een trein die in 1895 in Parijs dwars door het stootblok en de muur reed, om een verdieping lager op de grond terecht te komen. De machinist wilde zijn vertraging goedmaken en remde te laat. Er vielen 1 dode en 5 zwaargewonden.

      In Nederland gebeurde het ergste treinongeluk in 1962. Toen botsten bij Harmelen in Utrecht twee reizigerstreinen op elkaar. Er vielen 93 doden en 52 gewonden.

      Maar gelukkig horen treinongelukken tot de uitzonderingen. Per gereisde kilometer is de trein veel veiliger dan de auto en de fiets. Alleen het vliegtuig is nóg veiliger.

    3. Trekschuiten en paardenkoetsen

      Door de komst van de trein ging het leven in Nederland opeens veel sneller.

      Tot 1839 was het snelste vervoermiddel de paardenkoets. Die haalde zo'n 14 kilometer per uur. Veel prettiger reisde je in de trekschuit, maar die ging maar 7. De trein ging wel 40!

      De trekschuit werd een veelgebruikt vervoermiddel vanaf ongeveer 1600. In die jaren werden er veel 'trekvaarten' in Nederland gegraven: speciale kanalen tussen de belangrijkste steden, met zo weinig mogelijk bochten en steeds met een 'jaagpad' erlangs.

      Over dat jaagpad kon het paard lopen dat de trekschuit trok. Soms werd de trekschuit ook wel door mensen getrokken of met lange stokken voortgeduwd.

      Vanaf 1700 zag je ook steeds meer paardenkoetsen door Nederland rijden. Die gingen sneller, maar ze hobbelden vaak heel erg.

      De komst van de trein heeft ervoor gezorgd dat zowel trekschuiten als paardenkoetsen uit Nederland zijn verdwenen.

    4. De stoommachine

      Als je water laat koken ontstaat er stoom. Stoom heeft een enorme kracht: om een fluitketel te laten fluiten, maar ook om machines te laten draaien, treinen te laten rijden en schepen te laten varen. Vanaf ongeveer 1800 deden stoommachines veel van het zware werk in Nederland.

    5. De kracht van stoom

      Door de uitvinding van de stoommachine veranderde de wereld flink. In fabrieken ging het werk dankzij stoommachines opeens veel sneller. Stoomtreinen en stoomschepen konden snel en gemakkelijk mensen en spullen over de hele wereld vervoeren. En stoomgemalen pompten in korte tijd grote meren leeg. Windmolens werden overbodig.

      Op de foto zie je het stoomgemaal De Cruquius. Samen met twee andere stoomgemalen heeft De Cruquius tussen 1849 en 1852 het grote Haarlemmermeer leeggepompt.

      In De Cruquius staat de grootste stoommachine van de wereld, met een cilinder van meer dan 3,5 meter doorsnee. De stoommachine drijft acht armen aan van elk 10.000 kilo die als tentakels naar buiten steken. Samen brachten die bij elke slag van de stoommachine 64.000 liter water omhoog naar de ruim vijf meter hoger gelegen ringvaart.

      Het Cruquiusgemaal bestaat nog steeds. Het is nu een museum.

    6. Steenkool als brandstof

      Eeuwenlang stookten mensen met hout en turf. Maar de stoommachine vroeg om een nieuwe brandstof: steenkool. In Limburg zit veel steenkool diep onder de grond. Er werden 'mijnen' gegraven waar de steenkool omhoog werd gehaald. De Limburgse mijnen zijn rond 1970 weer gesloten. Toen werden olie en gas de belangrijkste brandstoffen.

    7. Personenvervoer

      Met de trein kon je snel en prettig reizen, als je tenminste geld had voor een 1e klas-kaartje. Er waren ook 2e en 3e klas rijtuigen, maar die hadden in het begin niet eens ramen! Door de trein werd Nederland een stuk kleiner: mensen uit het oosten konden nu makkelijker op bezoek bij familie in het westen. En ze konden eindelijk de zee eens zien!

    8. Vertrek van station d'Eenhonderd Roe

      In 1839 bestond het Centraal Station van Amsterdam nog niet. Dat ging pas vijftig jaar later open, in 1889. De Arend vertrok van een splinternieuw station buiten de stad. Het heette d'Eenhonderd Roe. Op de prent zie je hoeveel mensen er kwamen kijken naar het vertrek van de eerste trein in Nederland.

    9. Nederland wordt steeds voller

      In 1839 kon je meestal kilometers ver kijken zonder dat je veel bebouwing zag. Een boerderij, een weggetje, een kerktorentje aan de horizon, dat was het meestal wel. Het zou nog een eeuw duren voordat de eerste snelwegen en hoogspanningsmasten aangelegd werden. Maar door de komst van de trein begint het landschap wel flink te veranderen.

      De weilanden en akkers zijn vaak veel te drassig om er zomaar spoorrails in te kunnen leggen. Daarom worden door het hele land spoordijken aangelegd, die als lange littekens door het land lopen. Over rivieren en kanalen komen ijzeren spoorbruggen, waar eerst vaak alleen een veerpont was. Het eeuwenoude landschap begint flink te veranderen.

      En nu, in de eenentwintigste eeuw, ligt Nederland vol brede snelwegen die in het spitsuur vaak toch nog verstopt raken. Er zijn bijna geen plekken meer waar je geen wegen, gebouwen of hoogspanningsmasten ziet. En zelfs in het bos hoor je meestal nog wel ergens in de verte auto's en treinen langsrazen.

      Tegenwoordig vinden mensen het wel weer steeds belangrijker dat er in Nederland ook plekken zijn waar geen lawaai en kunstlicht is, waar de natuur weer zijn gang kan gaan. En waar het net lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan.

    10. Overal dezelfde tijd

      Eeuwenlang bepaalden plaatsen in Nederland zelf hoe laat het precies was. Kerktorens in Den Haag stonden vroeger dan die in Zwolle. Voor de treinen was dat erg onhandig. Want hoe laat kwam de trein dan precies aan? Op de Haagse of de Zwolse tijd? Daarom werd in 1909 in Nederland de standaardtijd ingevoerd: overal wezen de klokken dezelfde tijd aan.

Vensterplaten

1848

De Grondwet

De belangrijkste wet van een staat

    1. Wat is een grondwet?

      De grondwet is de belangrijkste wet van een land. Er staat in beschreven wie de macht heeft en hoe die macht wordt uitgevoerd. Meestal staan in een grondwet ook grondrechten: belangrijke rechten en vrijheden van burgers. In de grondwet vind je de spelregels van een samenleving.

      Soorten grondrechten

      Er zijn twee soorten grondrechten. Klassieke grondrechten beschermen de burger tegen de staat, maar gelden ook voor burgers onderling. Deze grondrechten zijn bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, recht op privacy, recht op gelijke behandeling en kiesrecht. Een rechter kan over deze rechten uitspraak doen. Je kunt naar de rechtbank stappen als je bijvoorbeeld vindt dat iemand je discrimineert. Sociale grondrechten zijn er vooral voor de overheid: die moet goed voor haar burgers zorgen. Voorbeelden zijn het recht op een woning, onderwijs en gezondheidszorg.

    2. Van onderdaan naar burger

      Lange tijd is er helemaal geen grondwet. In de middeleeuwen is de koning de baas – zijn wil is wet. De mensen in het land zijn onderdanen die hem moeten gehoorzamen.  Maar aan het eind van de 18de eeuw zijn mensen in heel Europa het beu. Ze eisen meer burgerrechten en vrijheden. In Frankrijk vindt een revolutie plaats: de koning wordt verdreven en het land wordt een republiek.

      De Franse Revolutie en Europa

      Vrijheid, gelijkheid en broederschap: dat willen de opstandelingen in Frankrijk aan het eind van de 18e eeuw. Al die hele eeuw lang zijn er mensen in Europa die protesteren tegen de oude manier van denken. Ze willen niet meer blind geloven wat de kerk of koning zegt. Ze willen hun gezond verstand gebruiken. Deze stroming noemen we de Verlichting. En uiteindelijk komen die ideeën van vrijheid en gelijkheid terecht in onze grondwet.

    3. De eerste grondwet in Nederland

      Eigenlijk is de eerste grondwet van Nederland de Staatsregeling voor het Bataafse volk van 1798. Alleen heet Nederland dan de Bataafse Republiek en hebben de Fransen er de macht. In de Staatsregeling gaat het voor het eerst over één staat, over rechten en plichten van burgers en over een gekozen volksvertegenwoordiging.

      Een ondeelbaar land

      Deze eerste grondwet in de Franse tijd is een breuk met de Republiek der Verenigde Nederlanden. Binnen de Republiek hadden de verschillende provincies veel macht. Maar nu is dat afgelopen. Nederland wordt een eenheidsstaat, met een nationale regering. De ideeën van de Franse revolutie krijgen ook voet aan de grond. Iedere burger is gelijk voor de wet en heeft vrijheid van meningsuiting, vergadering en drukpers. Maar ook vrijheid van godsdienst. Er komt een scheiding tussen kerk en staat: ze bemoeien zich niet meer met elkaar en regelen ieder hun eigen zaken.

    4. Nederland een koninkrijk

      In 1813 wordt Napoleon verslagen en trekken de Franse troepen zich terug. Nederland, dat een paar jaar een deel van Frankrijk was, wordt weer vrij. In 1815 wordt het Koninkrijk der Nederlanden uitgeroepen, met prins Willem Frederik van Oranje Nassau als eerste koning: Willem I. Er komt een nieuwe grondwet en die geeft vooral de vorst veel macht.

      Vriendjespolitiek

      De Staten-Generaal bestaan vanaf nu uit een Eerste en Tweede Kamer. De leden van de Eerste Kamer worden door Willem I gekozen – en die kiest natuurlijk voor zijn vrienden. Zo houdt hij de macht in handen. De Tweede Kamer mag wetsvoorstellen indienen, maar via de Eerste Kamer kan de koning die tegenhouden als ze hem niet bevallen. Maar wanneer zijn zoon Willem II hem in 1840 opvolgt, slaat in Europa opnieuw de vlam in de pan: burgers eisen hun rechten op.

    5. Opstand in Europa!

      In 1848 breken in heel Europa opstanden uit. De mensen zijn de macht van de koning zat. Ze willen een andere grondwet met meer vrijheid voor de burgers en minder macht voor de koning. In Nederland is dan Willem II aan de macht. Ook daar broeit het…

      Protest in Den Haag

      Als in Den Haag mensen met fakkels de straat op gaan naar het paleis, wordt Willem II zenuwachtig. Hij beseft dat hij veranderingen niet langer kan tegenhouden. Liever iets minder macht en op de troon blijven dan verstoten worden – zoals sommige andere vorsten in Europa. Hij besluit een commissie te benoemen die de grondwet moet aanpassen. Hoofd van die commissie is de politicus  Thorbecke.

    6. Thorbecke

      De politicus Johan Rudolf Thorbecke leidt in 1848 de commissie die de grondwet moet hervormen. En hij durft! In zijn voorstel zijn de ministers verantwoordelijk voor hoe het land geleid wordt – niet langer de koning. Thorbecke weet Willem II te overtuigen: hij ondertekent de wet. Omdat burgers vanaf nu meer te zeggen hebben, is deze grondwet van 1848 de basis is van onze  huidige democratie.

      Addertje onder het gras

      Hoewel… meer te zeggen? De volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer worden vanaf 1848 wel door burgers gekozen, maar het zijn alleen de rijke mannen die kiesrecht hebben. Pas in 1917, meer dan een halve eeuw later, mogen alle mannen stemmen. En twee jaar later, in 1919, krijgen ook vrouwen stemrecht. Tegenwoordig mag iedereen stemmen die de Nederlandse nationaliteit heeft en 18 is of ouder.

    7. Discriminatie verboden

      Omdat de grondwet de belangrijkste wet is, gaat veranderen niet zo makkelijk. De grote grondwetswijziging van 1983 nam meer dan 30 jaar in beslag! Hoofdstuk 1 van die vernieuwde grondwet beschrijft de grondrechten van de burgers. Het begint met Artikel 1: alle mensen in Nederland worden in dezelfde situatie gelijk behandeld.

      Zijn en zeggen wat je wilt

      Discriminatie om godsdienst, levensovertuiging, politieke overtuiging, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is verboden. Je bent vrij om te geloven wat je wilt. Om lief te hebben wie je wilt. Om te denken wat je wilt. Voor de wet is iedereen gelijk. Je hebt ook het recht om iets te vragen aan de overheid, of een klacht in te dienen. Je mag een brief sturen aan de burgemeester, de Tweede Kamer of een minister. Je hebt recht op antwoord – maar alleen als je je brief ondertekent! Er zijn ook andere manieren om de regering te laten weten wat je vindt. Handtekeningen verzamelen (petitie) bijvoorbeeld, of een protestmars organiseren. Ook dat is een belangrijk grondrecht van Nederlandse burgers: het recht van meningsuiting.

    Vensterplaat De Grondwet. Voor docenten: Vensterles volgt binnenkortIllustratie: Ingrid Joustra.

Vensterplaten

1860

Max Havelaar

Onrecht in Nederlands-Indië

    1. Multatuli

      Dit is Eduard Douwes Dekker. In 1860 schrijft hij het wereldberoemde boek Max Havelaar. In het boek heeft hij kritiek op de Nederlandse regering in de kolonie Nederlands-Indië. Hij schrijft het boek niet onder zijn eigen naam. Dat vindt hij te gevaarlijk. Hij gebruikt daarom een schuilnaam: Multatuli.

      Multatuli wordt in 1820 geboren in Amsterdam. Als hij achttien jaar is vertrekt hij naar Nederlands-Indië (nu Indonesië). Daar werkt hij voor de Nederlandse regering. Zo ziet hij met eigen ogen hoe slecht de Javanen (de oorspronkelijke bewoners) door de Nederlanders daar behandeld worden.

      Multatuli schrikt ontzettend van alle ellende die hij daar ziet. Hij maakt zich erg boos over de uitbuiting en het machtsmisbruik door de Nederlanders. Hij is zelf een hoge ambtenaar en protesteert vaak tegen het onrecht dat de bevolking wordt aangedaan. Hij gaat met zijn klachten naar zijn bazen, maar die luisteren niet. Sterker nog: hij wordt zelf gestraft! Ze sturen hem naar een plek in Nederlands-Indië waar ze denken minder last van hem te hebben.

      Multatuli is het daar niet mee eens. Hij neemt ontslag en gaat terug naar Europa. Woedend schrijft hij daar zijn boek: Max Havelaar. In het boek vertelt hij over wat hij in Nederlands-Indië heeft meegemaakt.

    2. Nederlands-Indië

      Dit is een kaart van Nederlands-Indië. Zo heette Indonesië vroeger. Het was toen een kolonie van Nederland. Hoe is dat eigenlijk zo gekomen?

    3. Max Havelaar

      Waar gaat het boek Max Havelaar eigenlijk over? Eigenlijk gaat het over Multatuli zelf! De hoofdpersoon is de Nederlander Max Havelaar, die in Nederlands-Indië woont. Daar werkt hij voor de regering. Hij moet zorgen dat iedereen uit het dorp zijn werk goed doet.

      Max Havelaar ziet dat de bevolking slecht behandeld wordt. Daar wil hij iets aan doen. Max Havelaar houdt toespraken en schrijft brieven aan belangrijke mensen. Maar niks helpt. Hij krijgt zelfs straf omdat hij voor de Indonesische mensen opkomt! Dat vindt hij vreselijk oneerlijk en hij neemt ontslag.

    4. Uitbuiting

      De Javanen (de bewoners van Java, een van de eilanden van Nederlands-Indië) worden door de Nederlanders gedwongen om koffie en suiker te verbouwen. Dat zijn producten die in Europa veel geld opleveren. De boeren kunnen hierdoor minder rijst verbouwen, het voedsel dat ze zelf eten. Hierdoor lijden ze honger.

      Hoe krijgt een handjevol Nederlandse ambtenaren het voor elkaar zoveel mensen te laten doen wat zij willen? Dat komt omdat de Nederlanders de dorpsleiders omkopen. Die hebben de macht over de boeren, en geven hen opdracht om de Nederlandse opdrachten uit te voeren.

      Na het verschijnen van het boek Max Havelaar krijgen de mensen in Nederlands-Indië het langzaam maar zeker beter. Er worden scholen en ziekenhuizen gebouwd. Ook worden de opbrengsten van het land eerlijker verdeeld, waardoor er minder mensen honger lijden.

      Multatuli's boek heeft niet alleen invloed op Nederlands-Indië. Er zijn dan veel landen op de wereld die een kolonie zijn en waar de mensen net zo slecht behandeld worden als in Nederlands-Indië. In de loop van de tijd gaan politici steeds meer nadenken over de misstanden in de koloniën.

      Multatuli heeft uiteindelijk dus heel veel met zijn boek Max Havelaar bereikt. In 1999 noemde de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer het verhaal van Max Havelaar zelfs: "Het boek dat een einde maakte aan het kolonialisme".

    5. Een raamvertelling

      Multatuli schreef het boek Max Havelaar als een 'raamvertelling'. Dat betekent dat het verschillende kleinere verhalen zijn, die door elkaar heen lopen en samen één groot verhaal vormen.

      Het boek opent met het verhaal van Batavus Droogstoppel. Hij is een handelaar in koffie. Droogstoppel is het symbool voor de manier waarop Nederland van zijn kolonie profiteert. Hij krijgt op een dag bezoek van Sjaalman, een oud klasgenoot. Sjaalman vraagt Droogstoppel om een boek dat hij geschreven heeft uit te geven.

      Dan volgt het verhaal over de belevenissen van Max Havelaar in Nederlands-Indië. Dit verhaal is voor een groot deel wat Multatuli zelf in Nederlands-Indië heeft meegemaakt.

      In het boek worden ook een aantal oude Indische verhalen verteld, zoals het liefdesverhaal van Saïdjah en Adinda. Dit mooie en verdrietige verhaal laat heel duidelijk zien hoe de Javanen lijden onder de uitbuiting en wreedheden van de Nederlanders.

      Het einde van het boek is voor koning Willem III bedoeld. Het is weer een groot protest tegen wat de koning allemaal laat gebeuren in Nederlands-Indië. Als koning is hij ten slotte eindverantwoordelijke voor alle ellende. En hij is degene die het kan veranderen.

    6. Saïdjah en Adinda

      Het boek Max Havelaar bestaat uit verschillende kleinere verhalen. Een van die verhalen is het liefdesverhaal van Saïdjah en Adinda. Dit mooie en verdrietige verhaal laat heel duidelijk zien hoe de Javanen lijden onder de uitbuiting en wreedheden van de Nederlanders. De buffel speelt een belangrijke rol in dit verhaal.

      Het verhaal gaat over de Javaanse jongen Saïdjah. Hij wil heel graag samen zijn met zijn buurmeisje Adinda. Hun ouders hebben besloten dat Saïdjah en Adinda later zullen gaan trouwen. Saidjah wil niks liever dan gelukkig worden met Adinda. Ze zijn heel erg verliefd op elkaar.

      De vader van Saïdjah heeft een buffel, waar Saïdjah erg gehecht aan is. Op een dag wordt de buffel zomaar afgenomen door de Nederlanders. De vader van Saïdjah koopt een nieuwe buffel. Die heeft hij hard nodig om hem te helpen bij het binnenhalen van de oogst. Zonder de opbrengst van de oogst kan de vader van Saïdjah de landrente niet terugbetalen.

      Maar elke keer als de vader van Saïdjah een nieuwe buffel koopt, wordt die weer afgenomen door de Nederlanders. Een van de buffels redt zelfs het leven van Saïdjah. Ook deze wordt weer weggehaald. De moeder van Saïdjah sterft van verdriet en zijn vader probeert te vluchten omdat hij de landrente niet meer kan betalen. Hij wordt opgepakt en ook hij sterft.

      Saïdjah wil, voor hij met Adinda zal trouwen, eerst geld verdienen. Hij laat Adinda achter met de belofte dat hij terug zal komen met genoeg geld voor twee buffels. Ze spreken af elkaar trouw te blijven en elkaar over drie jaar op een speciale plek in het bos weer te ontmoeten. Als Saïdjah onderweg is, bedenkt hij hoeveel hij van Adinda houdt. Hij doet extra hard zijn best om veel geld te verdienen.

      Als Saïdjah na drie jaar terug komt, is Adinda niet op de afgesproken plek. Hij gaat naar haar op zoek. Dan ziet hij waarom Adinda niet kon komen. De plaats waar Adinda en de anderen wonen is net veroverd door de Nederlanders en staat in brand. Saïdjah vindt daar het lichaam van Adinda. Het is verminkt door de Nederlanders. Uit wanhoop doodt hij zichzelf.

    7. Boos!

      Multatuli schrijft Max Havelaar op een zolderkamertje in Brussel. Hij is heel boos over de dingen die hij in de kolonie Nederlands-Indië heeft gezien. Door zijn boosheid vliegen de letters op het papier. Hij schrijft het boek in minder dan vier weken. Dat is knap! Zeker als je bedenkt dat hij geen computer had. Hij schrijft met een kroontjespen en inkt.

      Wist je trouwens dat Multatuli eigenlijk Eduard Douwes Dekker heet? Eduard Douwes Dekker schrijft het boek niet onder zijn eigen naam omdat hij dat te gevaarlijk vindt. Daarom kiest hij een schuilnaam. Hij noemt zichzelf 'Multatuli'. Dat is Latijn en het betekent: ik heb veel geleden. Met de naam Multatuli wil Douwes Dekker zeggen dat het leven in Nederlands-Indië heel zwaar is.

    8. Klaar voor de pers

      "Ik ben makelaar in koffie en woon op de Lauriergracht nummer 37." Dit is de eerste regel uit Max Havelaar. Multatuli schrijft het boek in 1860. Maar een boek schrijven alleen is niet genoeg. Als je wilt dat het gelezen wordt, moet het ook uitgegeven worden. Multatuli komt in contact met een bekende uitgever: Jacob van Lennep.

      Jacob van Lennep is een man met invloed. Van Lennep weet meteen dat hij iets bijzonders in handen heeft. Hij is ook bang dat de kritiek in het boek tot een opstand zal leiden in Nederlands-Indië. Dus schrapt hij bepaalde stukken in het boek. Ook verandert hij verwijzingen naar plaatsnamen en personen. En dan is het boek klaar voor de verkoop.
      De eerste exemplaren zijn duur. Je moet er een week voor werken om het te kunnen betalen. Daarom lezen in het begin veel minder mensen het boek dan Multatuli hoopt. Daar is hij natuurlijk niet blij mee.

    9. Nederland leest Max Havelaar

      Als Multatuli Max Havelaar schrijft, weet hij al dat het voor veel opschudding zal zorgen. En hij krijgt gelijk. Politici zijn geschokt. Ze zeggen dat ze niet wisten dat Nederland zo slecht is voor de bevolking van Nederlands-Indië. Er worden zelfs Kamervragen gesteld over "het boek dat een rilling door het land doet gaan".

      De 'gewone lezer' vindt Max Havelaar een geestig, ontroerend, spannend en goed geschreven boek. Maar Multatuli wil helemaal niet dat zijn boek geestig of spannend gevonden wordt. Hij wil dat er iets verandert in Nederlands-Indië. En dat gebeurt ook wel, maar het kost even tijd.
      Het boek wordt heel beroemd en steeds weer opnieuw gedrukt. Zelfs nu nog! Het boek is inmiddels in 42 talen uitgebracht.

    10. Eerlijke handel

      Misschien heb je dit logo wel eens gezien, op een pak koffie of hagelslag bijvoorbeeld? Het is het logo van het Max Havelaar keurmerk. Producten die van boeren komen die netjes behandeld worden en een eerlijke prijs krijgen, worden in de winkel verkocht met dit keurmerk. Tegenwoordig heet dat Fairtrade, wat eerlijke handel betekent.

      De hele titel van het beroemde boek van Multatuli is eigenlijk: Max Havelaar of koffieveiling der Nederlandsche handelmaatschappij. Multatuli wordt zelfs nu nog gezien als held die ervoor gezorgd heeft dat boeren over de hele wereld netter behandeld worden en een eerlijke prijs krijgen voor hun product. Hij zette zich in voor betere behandeling van boeren in Nederlands-Indië. Honderdvijftig jaar later hebben nog steeds niet alle boeren in de wereld het goed. Daarom is het Max Havelaar keurmerk opgericht om boeren een eerlijke prijs te geven voor hun producten.

Vensterplaten

19e eeuw

Verzet tegen kinderarbeid

De fabriek uit, de school in

    1. Kinderarbeid in Nederland

      In de 19e eeuw gaan de meeste kinderen in Nederland niet naar school. Ze werken op het land, in de winkel of in de werkplaats. Kinderarbeid is dan heel normaal. Dan komt de Industriële Revolutie. Overal komen fabrieken die arbeiders nodig hebben. Ook kinderen gaan in de fabriek werken.

    2. Iedereen werkt mee

      In de negentiende eeuw is het heel normaal dat ook kinderen werken. Soms al vanaf hun vijfde of zesde jaar. De hele dag, soms wel 12 uur lang. Ook op zaterdag. Hun vaders verdienen niet genoeg geld om van te leven. Daarom moeten moeders en kinderen ook geld verdienen.

      Veel kinderen werken in fabrieken. De directeuren van de fabrieken vinden kinderarbeid wel handig. Kinderen hoeven ze niet zoveel te betalen als volwassenen. Dat is lekker goedkoop. Voor kinderen is werken ook net spelen, zeggen ze. Ze denken dat kinderen het werk niet zo erg vinden. Maar dat klopt niet! Het werk in de fabriek is gevaarlijk en zwaar.
      In textielfabrieken moeten kinderen bijvoorbeeld pluizen stof tussen de machines vandaan halen. Zij kunnen hier gemakkelijk bij, omdat ze nog klein zijn. Maar als ze niet snel genoeg bij de machine vandaan komen, kunnen er erge ongelukken gebeuren. Dat gebeurt soms ook, want de kinderen werken lang en slapen maar weinig. Daardoor zijn ze overdag te moe om goed op te letten.

    3. De stoommachine

      Deze fabrieksmachine werkt op stoom. Door de uitvinding van de stoommachine verandert de manier waarop dingen gemaakt worden. Eerst werd eigenlijk alles met de hand gemaakt. Maar door de stoommachine kunnen producten in het vervolg met machines gemaakt worden. Met machines kun je de dingen veel sneller en goedkoper maken.

      Fabrieksbazen zijn blij met de machines. Een weefmachine kan veel sneller een lap stof maken dan een ouderwets weefgetouw. Er kunnen nu op één dag veel meer lappen stof gemaakt worden dan vroeger. Dus de fabrieksdirecteur kan veel meer stof verkopen. Met dat geld kan hij nog grotere fabrieken bouwen.
      Voor arbeiders en hun kinderen zijn de fabrieken niet altijd een verbetering. De machines draaien dag en nacht. Arbeiders moeten daardoor langer werken dan vroeger. En het werk van kinderen wordt ook veel zwaarder. Vóór de tijd van de fabriek werkten ze ook wel, ze hielpen bijvoorbeeld thuis bij het weefgetouw. Maar in de fabriek moeten ze hard werken en de machines zijn gevaarlijk.

    4. Verzet tegen kinderarbeid

      Dit is Samuel van Houten. Vanaf 1864 is hij lid van de Tweede Kamer. Hij vindt dat er een eind moet komen aan kinderarbeid. In 1874 wordt zijn wet tegen kinderarbeid aangenomen. In dit Kinderwetje van Van Houten staat dat kinderen onder de twaalf jaar niet langer in fabrieken mogen werken.

      Na 1860 komt er steeds meer kritiek op kinderarbeid. Dokters en onderwijzers leggen uit waarom het werk ongezond is. Kinderen horen op school, zeggen ze. Beetje bij beetje beginnen ook fabrieksdirecteuren te snappen dat ze inderdaad beter kunnen wachten tot de kinderen hun lagere school hebben afgemaakt. Kinderen van twaalf jaar en ouder kunnen lezen en schrijven. Daar heb je veel meer aan.

      De fabrieksdirecteuren hebben de kinderen ook steeds minder nodig. Machines nemen het werk over. Als de lonen van de ouders stijgen, is het geld dat de kinderen verdienen ook niet meer zo nodig. Ze sturen hun kinderen steeds vaker en langer naar school. Ze snappen namelijk wel dat hun kinderen meer kunnen bereiken in het leven als ze naar school zijn geweest.

      Dan gaat ook de regering zich ermee bemoeien. In 1874 wordt het 'kinderwetje van Van Houten' aangenomen. Toch duurt het nog een tijd voordat kinderarbeid echt verdwijnt. Er wordt vaak niet gecontroleerd of fabrieken zich wel aan het Kinderwetje houden. Daardoor laten directeuren van fabrieken toch weer kinderen werken.

      Het Kinderwetje is nu heel bekend. Het is de eerste wet tegen kinderarbeid. Maar het is ook de eerste wet die iets zegt over de rechten van arbeiders. Zulke wetten noemen we sociale wetten. Er waren in die tijd geen regels over werktijden, loon of pensioen. Het Kinderwetje is de eerste sociale wet.

    5. Alle kinderen naar school

      Dertien jaar na het 'Kinderwetje van Van Houten' onderzoekt de Nederlandse regering of fabrieken zich wel aan de wet houden. En wat blijkt? Dat gebeurt niet. Er werken nog steeds veel kinderen in de fabrieken. De regering maakt daarom extra wetten. Pas als in 1901 de Leerplichtwet er komt, wordt kinderarbeid echt onmogelijk.

      In 1901 stemt de regering over de leerplichtwet. Daarin staat dat alle kinderen van zes tot en met twaalf jaar verplicht naar school moeten. Het is een spannende stemming. Samuel van Houten had samen met zijn Kinderwetje ook al een leerplichtwet ingediend. Die was toen niet aangenomen. Nu wordt er weer over een leerplichtwet gestemd. 49 mensen zijn tegen, 50 mensen zijn voor. Met één stem verschil wordt de leerplichtwet aangenomen! Vanaf die tijd gaan kinderen tot en met twaalf jaar naar school. En wie op school zit, kan niet werken. Zo wordt kinderarbeid onmogelijk.

    6. Een klusje of een bijbaantje

      Deze krantenbezorger is hard aan het werk. En ook jij doet thuis vast wel eens een klusje zoals je kamer opruimen, helpen met de vaat of de auto wassen. Maar dat is geen kinderarbeid.

      Met kinderarbeid bedoelen we dat kinderen die veel te jong zijn moeten werken voor een baas die ze slecht betaalt en slecht behandelt. Daardoor hebben ze geen tijd om naar school te gaan en te leren en kunnen ze later dus vaak ook geen goede baan vinden.

      Tegenwoordig moeten in Nederland kinderen tot en met zestien jaar naar school. Als je toch wilt werken, neem je een bijbaantje. Een bijbaantje is een baantje dat je na schooltijd doet. Vakkenvullen of kranten rondbrengen bijvoorbeeld. Werken onder schooltijd en te veel uren werken is verboden.

      Alle regels over werken voor kinderen staan in de Arbeidstijdenwet. Daar staat bijvoorbeeld in dat je onder je twaalfde geen officieel baantje mag hebben, net zoals in het Kinderwetje van Van Houten. Als je dertien bent, mag je alleen werk doen dat niet zwaar is, vakkenvullen bijvoorbeeld. En er moet altijd iemand zijn die op je kan letten.

      In de Arbeidstijdenwet is aan iedereen gedacht. Er staan ook regels in voor kinderen die musicalzanger of filmster zijn. Ook zij moeten gewoon naar school. Ze mogen maar een paar uur per dag werken: zingen of acteren. Het duurt dan wel lang voordat een film is opgenomen. Maar kinderarbeid willen we niet meer!

    7. Kinderarbeid in arme landen

      In Nederland is kinderarbeid verboden. Maar in veel landen op de wereld is dat niet zo. Er zijn nog ongeveer 250 miljoen kinderen die kinderarbeid moeten doen! Waarom bestaat kinderarbeid nog steeds?

      Kinderen werken omdat er anders niet genoeg geld is om eten te kopen. Net zoals vroeger in Nederland. Ze werken bijvoorbeeld in kolenmijnen, op rijstplantages, als schoenpoetser in een grote stad, of in textielfabrieken. Ze krijgen er heel weinig geld voor. De fabrieksdirecteuren kunnen zo goedkope spullen maken. Die kunnen ze goed verkopen aan andere landen. Ook aan Nederland. Iedereen wil liever een goedkope broek dan een dure, toch…? En zo blijft kinderarbeid bestaan.
      Er zijn veel organisaties die wat doen tegen kinderarbeid. UNICEF is er daar één van. Dat is een organisatie die opkomt voor de rechten van kinderen. Bijvoorbeeld voor het recht om naar school te kunnen gaan. En voor het recht om schoon drinkwater en voldoende medicijnen te hebben.
      Ook de regeringen van veel landen willen wat tegen kinderarbeid doen. In 2000 hebben de leiders van wel 189 landen samen afspraken gemaakt. Die noemen we 'millenniumdoelen'. Die afspraken gaan over de belangrijkste problemen in de wereld en hoe die aangepakt kunnen worden. Een van die doelen is: in 2015 gaan alle kinderen over de hele wereld naar school.

Vensterplaten

1853-1890

Vincent van Gogh

De moderne kunstenaar

    1. Vincent van Gogh

      Kunstschilder Vincent van Gogh leefde in de negentiende eeuw. Dat was de tijd dat er bijvoorbeeld voor het eerst treinen, fabrieken en fototoestellen kwamen. Van Goghs schilderijen zijn tegenwoordig beroemd, maar in zijn eigen tijd wilde bijna niemand ze kopen. Hij heeft maar drie schilderijen verkocht in zijn hele leven!

    2. De Aardappeleters

      Dit is een schilderij dat Van Gogh maakte toen hij nog jong was. Het heet 'De Aardappeleters'. Het is een erg donker schilderij. Van Gogh wilde met 'De Aardappeleters' laten zien dat hij goed kon schilderen. De mensen op het schilderij hebben geen normale kleur. Hun huidskleur lijkt op ongeschilde aardappels!

      In het begin schilderde Van Gogh altijd met donkere kleuren. Sommige mensen denken dat Van Gogh in het begin donkere schilderijen maakte, omdat hij ongelukkig was. Maar misschien vond hij dat wel gewoon mooi. De mensen uit zijn tijd vonden zijn donkere schilderijen niet mooi. Zij wilden liever schilderijen met met mensen en landschappen die net echt leken.

    3. Zonnebloemen

      Dit beroemde schilderij heet 'Zonnebloemen'. Vincent van Gogh maakte vier van deze schilderijen met zonnebloemen. Maar hij vond er maar twee echt goed gelukt. Van deze twee schilderijen maakte hij drie kopieën. (Een kopie is iets wat precies is nagemaakt.) Dit schilderij is er daar een van. Je kunt hem zelf gaan bekijken in het Van Gogh Museum.

      Zie je hoe licht en kleurrijk het schilderij 'Zonnebloemen' is? Vincent van Gogh woonde twee jaar lang in Parijs. Daar zag hij de schilderijen van moderne schilders: Impressionisten. Zij wilden de indruk (ook wel impressie genoemd) die een ding op hen maakte, vastleggen. Het schilderij hoefde niet op de werkelijkheid te lijken. Het moest alleen goed een sfeer weergeven. Vaak hebben zulke schilderen hele aparte kleuren. Want met kleur kun je goed een gevoel laten zien.
      Vincent vond dat mooi en ging ook zulke kleurige schilderijen maken. In plaats van donkere schilderijen, maakte hij nu schilderijen met veel kleur. Maar ook de kleurige schilderijen vonden de mensen in Van Goghs tijd niet mooi. Vincent verkocht bijna niks.

    4. Sterrennacht

      Zie je hoe dit schilderij van Vincent van Gogh gemaakt is? Het zijn geen ingekleurde vlakken, maar allemaal kleine streepjes naast elkaar. Vincent schilderde veel van zijn kleurige schilderijen op deze manier.

      Van veraf lijkt zo'n schilderij met allemaal streepjes een gewoon schilderij. Het lijkt alsof de vlakken gewoon ingekleurd zijn. Maar als je er van dichtbij naar kijkt, zie je het wit er tussendoor. Door het wit en de streepjes lijkt het schilderij heel licht en helder.

    5. Zelfportret

      Op dit zelfportret heeft Vincent één oor in het verband. Er zijn allerlei spannende verhalen over het oor van Van Gogh. Het bekendste verhaal is dat Van Gogh ruzie had met een vriend. Van Gogh zou zó boos zijn, dat hij zijn eigen oor had afgesneden. Volgens een ander verhaal heeft Vincents vriend het oor afgehakt. Wat er precies gebeurd is, weet niemand.

      Vincent van Gogh heeft veel zelfportretten geschilderd. Hij wilde graag oefenen met schilderen, maar had geen geld om mensen te betalen die model kwamen zitten. Daarom kocht hij een goede spiegel en schilderde hij zichzelf.
      De zelfportretten zijn bedoeld als oefening. Dat kun je vaak ook goed zien: ze zijn klein en ze zijn geschilderd op karton, niet op echt schilderdoek. Van Gogh maakte graag portretten. In zijn tijd werden ook de eerste foto's gemaakt. Maar dat vond Van Gogh maar niks. Een foto kan niet laten zien hoe iemand echt is, zei hij. Een geschilderd portret kan dat wel.

    6. Van Gogh's kleuren

      Boven dit café woonde Vincent toen hij in Parijs was. Het huis heet het 'Gele Huis' en het schilderij heet 'Het Nachtcafé'. Van Gogh heeft hele aparte kleuren gebruikt voor dit schilderij. Alles is geel, rood of groen. Dat deed hij niet zomaar.

      Het Nachtcafé is geen vrolijk café. De mensen liggen te slapen en de meneer bij de biljarttafel heeft niemand om mee te biljarten. Van Gogh schreef aan zijn broer Theo waarom hij het café zo heeft geschilderd. Hij zegt: "Ik wilde laten zien dat het café een plek is waar je gek kunt worden. Met het geel en groen wilde ik de nare sfeer in de kroeg uitdrukken."

    7. Van Gogh's brieven

      Deze tekening deed Vincent bij een brief aan zijn broer Theo. Het is Vincent's slaapkamer in Parijs. Vincent stuurde veel brieven aan Theo. Hij vertelde daarin hoe het met hem ging. En hij liet zijn nieuwe schilder-ideeën zien. In veel brieven staan tekeningetjes, soms zelfs in kleur!

      Veel van de brieven die Vincent aan Theo schreef, zijn bewaard gebleven. Zo kunnen we nu nog steeds lezen hoe Van Gogh over zijn eigen schilderijen dacht!

    8. De dood van Vincent van Gogh

      Hier zie je de graven van Vincent en zijn broer Theo. Ze liggen naast elkaar begraven, omdat ze zo'n speciale band met elkaar hadden. De graven liggen in Frankrijk, daar zijn de broers gestorven.

      Vincent van Gogh verhuisde aan het einde van zijn leven naar het stadje Arles, in het zuiden van Frankrijk. Daar schildert hij het schilderij van het Korenveld. Vincent was arm en daardoor vaak somber. Hij hoopte dat het warme weer in Frankrijk hem vrolijker zou maken. Maar dat was niet zo. Vincent raakte steeds meer in de war. Het werd zelfs zo erg, dat hij in een ziekenhuis terecht kwam. Ook in de inrichting bleef hij schilderen. Soms was hij zo ziek, dat hij niet naar buiten kon. Dan tekende hij schilderijen van zijn favoriete schilders na, Rembrandt bijvoorbeeld.
      Na een jaar mocht Vincent uit het ziekenhuis. Het ging eventjes goed met hem. Toch bleef hij bang om weer zijn verstand te verliezen. In de zomer van 1890 ging het fout. Vincent ging met zijn schildersspullen naar een korenveld. Daar schoot hij zichzelf neer. Hij leefde nog, maar twee dagen later stierf hij. Zijn broer Theo was bij zijn begrafenis. Een jaar later stierf Theo ook. Theo's vrouw begroef hem naast zijn broer Vincent.

    9. Vincent van Gogh nu

      Weet je hoeveel geld dit schilderij kost? 82,5 miljoen dollar! Daar kun je twee grote passagiersvliegtuigen voor kopen. Tegenwoordig zijn alle schilderijen van Van Gogh heel duur. Maar in de tijd van Van Gogh was dat wel anders!

      Vincent van Gogh heeft in totaal meer dan 860 schilderijen gemaakt. Met al die schilderijen heeft hij maar 288 gulden verdiend, dat is ongeveer 130 euro. Hij heeft maar drie schilderijen verkocht. Van Gogh heeft ook nog 1200 andere dingen gemaakt, bijvoorbeeld tekeningen met pen en papier.
      Voor al die schilderijen en tekeningen willen mensen tegenwoordig veel geld betalen. In 1973 is er zelfs een speciaal museum voor het werk van Van Gogh geopend: het Van Gogh Museum in Amsterdam. Daar hangen de meeste schilderijen van Van Gogh. Je kunt ze daar zelf gaan bekijken! Er hangen ook schilderijen van Van Gogh helemaal in Amerika en Japan.

Vensterplaten

1854-1929

Aletta Jacobs

Strijd voor gelijke rechten

    1. Aletta schrijft een brief

      Aletta Jacobs wil niets liever dan dokter worden. Daarvoor moet je studeren aan de universiteit. En in Aletta's tijd mogen aan de universiteit alleen jongens studeren. Aletta vindt dat oneerlijk. Daarom besluit ze een brief te schrijven aan minister-president Thorbecke.

      In de brief die Aletta schrijft aan minister-president Thorbecke, vraagt ze hem of ze ook mag studeren aan de universiteit. En wat denk je? Thorbecke antwoordt binnen een week, maar niet aan Aletta zelf! Hij schrijft haar vader dat het goed is. Aletta is het eerste meisje dat officieel aan de universiteit mag studeren. Door Aletta's brief gingen de Nederlandse universiteiten open voor meisjes.

    2. Aletta naar de universiteit

      Aletta Jacobs wordt op 20 april 1871 toegelaten tot de universiteit van Groningen. Ze is de allereerste vrouw die in Nederland officieel naar de universiteit mag!

      Niet iedereen is het ermee eens dat er een vrouw mag studeren. Aletta krijgt boze brieven. En in de kranten verschijnen nare stukjes over haar. Maar niemand kan Aletta afhouden van haar droom om dokter te worden. Ze studeert hard en haalt goede cijfers. Zeven jaar later studeert ze af. Aletta is dan de eerste vrouwelijke dokter van Nederland. Steeds meer meisjes volgen Aletta's voorbeeld en gaan studeren.
      Tegenwoordig is bijna de helft van alle huisartsen een vrouw. Dat is allemaal dankzij Aletta!

    3. Anna Maria van Schurman

      In 1871 is Aletta Jacobs de allereerste vrouw die in Nederland officieel naar de universiteit mag. Vóór Aletta had er maar één meisje ooit les aan de universiteit gevolgd. Haar naam was Anna Maria van Schurman.

      Anna Marie van Schurman leefde in de zeventiende eeuw. Ze was heel erg slim. Ze kon meer dan tien talen lezen en schrijven! Maar zelfs Anna Maria mocht niet echt studeren. Ze mocht alleen bij sommige lessen zijn. Dan moest ze achter een gordijntje zitten, om de jongens niet af te leiden! Ze mocht geen examen doen.

    4. Dokter Aletta

      Als Aletta haar diploma heeft gehaald, gaat ze in Amsterdam wonen en werken. Aletta is de eerste vrouwelijke dokter in Nederland. In de wijk waar Aletta dokter is, wonen veel arme arbeidersgezinnen. Die hebben geen geld om de dokter te betalen. Daarom houdt zij op dinsdag en donderdag een gratis spreekuur.

    5. Een vrouw als dokter

      Aletta is de eerste vrouwelijke dokter in Nederland. Er komen veel vrouwen op haar spreekuur. Ze komen liever bij Aletta dan bij een mannelijke arts. Aletta begrijpt beter dan mannelijke dokters hoe een vrouwenlichaam werkt, omdat ze zelf een vrouw is. Ze schrijft het allereerste voorlichtingsboek over het vrouwelijk lichaam.

      Door Aletta's voorlichtingsboek zien vrouwen ook hoe hun lichaam werkt. Het is een heel bijzonder boekje. Eindelijk komt er meer aandacht voor het vrouwelijk lichaam. Aletta vindt het belangrijk dat vrouwen ook weten hoe het lichaam werkt en eruit ziet. Als je dat weet, kun je het ook gezonder houden.
      Aletta ziet ook dat veel vrouwen zwaar werk moeten doen. Winkelmeisjes moesten bijvoorbeeld wel 11 uur lang achter de toonbank staan. Aletta vindt dit niet goed. Dankzij haar komt er een wet. Daarin staat dat elke winkel verplicht een stoel voor het winkelmeisje moet hebben.

    6. Vrouwenkiesrecht

      Voor 1919 hebben vrouwen in Nederland niet het recht om te stemmen. Alleen mannen die rijk genoeg zijn om belasting te betalen, hebben het recht om te stemmen. En om in de regering gekozen te worden. Dat noemen we kiesrecht. Aletta vindt het oneerlijk dat alleen rijke mannen kiesrecht hebben. Daarom is ze actief als lid van de 'Vereniging voor Vrouwenkiesrecht'.
      De Vereniging voor Vrouwenkiesrecht wil dat de wet veranderd wordt. Ook vrouwen moeten kunnen stemmen. Daarom houden ze demonstraties, ze schrijven artikelen en bieden de regering handtekeningenlijsten aan.
      Sommige mensen zijn het hier absoluut niet mee eens. Ze vinden dat mannen verstandiger zijn dan vrouwen. Daarom mogen vrouwen volgens hen niet stemmen.
      Maar steeds meer mensen steunen Aletta en de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht. Na 25 jaar actievoeren gaat de regering eindelijk akkoord. In 1919 wordt het vrouwenkiesrecht ingevoerd. Bij de eerstvolgende verkiezingen, in 1922, mogen vrouwen voor het eerst in de geschiedenis naar de stembus! Aletta is dan 68 jaar oud.

    7. De eerste groep feministen

      Aletta vecht voor de rechten van vrouwen. Vrouwen moeten kunnen stemmen en studeren. Aletta voert haar strijd met anderen die ook gelijke rechten voor vrouwen willen. Deze vrouwen zijn de eerste 'feministen'.

      De eerste feministen zijn heel actief. Ze organiseren tentoonstellingen, maken kranten en schrijven over vrouwenkiesrecht. Ze demonstreren en bieden de regering handtekeningenlijsten aan. Met die handtekeningen vragen ze de regering of de tweede kamer om de wet te veranderen. Het duurt tot 1919 voor het vrouwenkiesrecht wordt ingevoerd.

    8. De tweede groep feministen

      In 1919 zorgden de eerste feministen voor vrouwenkiesrecht. Daarna is het tot de jaren zestig van de vorige eeuw stil. Dan laten nieuwe feministen van zich horen: 'dolle mina's'. Zij willen 'de vrouw bevrijden'. Ze willen meer dan het huisvrouwenbestaan van hun moeders. Ze willen echt gelijke rechten.

      Rond 1960 krijgen mannen meer loon dan vrouwen. Ook als ze precies hetzelfde werk doen! En werken is lastig voor vrouwen, want er is dan nog geen officiële kinderopvang. Dat wil de tweede groep feministen veranderen. En het lukt! In 1980 wordt de 'wet op gelijke behandeling' aangenomen. Daarin staat dat alle mensen gelijk zijn. Iedereen heeft dezelfde plichten, maar ook dezelfde rechten. Iedereen moet dus hetzelfde behandeld worden, of je nu man bent of vrouw.

    9. Dolle mina's

      In de jaren zestig van de vorige eeuw laten nieuwe feministen van zich horen: 'dolle mina's'. Ze willen gelijke rechten voor vrouwen. Ze willen zelf kunnen beslissen of ze een kind willen krijgen of niet. Daarom schrijven ze 'baas in eigen buik' op hun buik.

      De 'dolle mina's' hebben zich genoemd naar Wilhelmina Drucker. Wilhelmina Drucker had zich samen met Aletta ingezet voor de 'Vereniging voor Vrouwenkiesrecht'. In de jaren zeventig van de vorige eeuw organiseren de 'dolle mina's' allerlei grappige acties. Maar ze menen het wel serieus!
      Op 24 januari 1970 zijn alle openbare plasbakken voor mannen in Amsterdam versierd met een grote roze strik. Dat hebben de dolle mina's gedaan. Ze noemen de actie 'een krul om een krul', omdat deze plasbakken dan 'krullen' worden genoemd. Ze eisen daarmee openbaar plasrecht voor vrouwen. Want er zijn nergens openbare toiletten voor vrouwen. Alleen mannen kunnen ergens plassen.
      Op dezelfde dag komt er een oproep van de dolle mina's op televisie. Vrouwen moeten volgens hun een kook-staking houden. Ze moeten niet meer koken voor hun mannen. Laten die mannen het maar lekker zelf doen!
      De acties van de dolle mina's lijken niet serieus, maar dat zijn ze wel. Zelfs in kleine dingen zoals koken en wc's hebben mannen het beter dan vrouwen. Dat willen de dolle mina's laten zien en daar willen ze wat aan doen.

Vensterplaten

1914-1918

De Eerste Wereldoorlog

Neutraal in oorlogstijd

    1. De Eerste Wereldoorlog

      Van 1914 tot 1918 woedt er in Europa een 'grote oorlog'. Later is deze oorlog de Eerste Wereldoorlog genoemd. In deze oorlog vechten de 'geallieerden' tegen de 'centralen'. De geallieerden zijn Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland en later ook Amerika. De centralen zijn Duitsland, Oostenrijk en Turkije.

      De oorlog gaat uiteindelijk tussen 33 landen over de hele wereld. Vandaar ook de naam WERELDoorlog. De oorlog krijgt de naam Eerste Wereldoorlog als er in 1939 een tweede wereldoorlog uitbreekt.

    2. Een oorlog in de loopgraven

      Dit is een loopgraaf: een lange, smalle gang in de grond. De Eerste Wereldoorlog speelt zich vooral af in zulke loopgraven. Die zijn soms kilometers lang. De soldaten graven de loopgraven om zich te kunnen beschermen tegen de aanvallen van de vijand. Als de soldaten daar beschoten worden, kunnen ze er alleen maar het beste van hopen…

      Het leven in een loopgraaf is verschrikkelijk. Je kunt er geen kant op. Je moet wachten in de modder en kou totdat geprobeerd wordt een stukje land te veroveren. Soms klinkt er een fluitje als teken dat de aanval gaat beginnen. Met honderden tegelijk wordt je dan gedwongen de loopgraaf uit te klimmen en richting de vijand te rennen. De meeste soldaten worden al na een paar meter neergeschoten of komen vast te zitten in het prikkeldraad. De rest trekt zich terug en er is geen centimeter land veroverd. De volgende dag begint het weer van vooraf aan.

    3. Nieuwe wapens en technieken

      Tijdens de Eerste Wereldoorlog worden er steeds nieuwe technieken ingezet om de vijand te verslaan. Prikkeldraad, tanks, vliegtuigen... het ene wapen is nog verschrikkelijker dan het andere! Maar het ergste nieuwe wapen is gifgas.

    4. Gasmaskers tegen gifgas

      Deze soldaten dragen een gasmasker. Hiermee beschermen ze zich tegen een gifgas-aanval van de vijand. Gifgas wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog voor het eerst als wapen gebruikt.

      Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt er door Duitsland voor het eerst gifgas gebruikt. Niemand had vooraf gedacht dat je er in één keer zoveel soldaten mee dood kan maken. Honderden soldaten tegelijk sterven tijdens zo'n gifgas-aanval een verschrikkelijk pijnlijke dood.

      Soms hebben de soldaten bij de loopgraven een kooitje staan met daarin een vogeltje. Als het vogeltje ineens dood gaat, dan komt dat waarschijnlijk door een gifgasaanval. Hopelijk is er dan nog net genoeg tijd om je gasmasker op te zetten. Dat voorkomt dat je het giftige gas inademt. De soldaten hebben een hekel aan deze maskers, want het ademen gaat lastig en helemaal veilig zijn ze niet.

    5. Doden en gewonden

      Dit is de militaire begraafplaats Lijssenthoek in het zuidoosten van België. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vallen er heel veel doden en gewonden. De doden worden meestal meteen achter het slagveld begraven. De gewonden worden zoveel mogelijk opgelapt zodat ze vervoerd kunnen worden naar een veldhospitaal.

      In het veldhospitaal wordt dag en nacht keihard gewerkt om zoveel mogelijk levens te redden. Maar vaak komt de hulp te laat. De doden worden op een militaire begraafplaats begraven. In het Belgische Poperinge ligt bijvoorbeeld begraafplaats De Lijssenthoek. Die kun je nog steeds bezoeken.
      In het begin worden de doden nog keurig netjes begraven. Maar later gaan er zo veel soldaten dood, dat ze gewoon vanuit een kruiwagen in een kuil gekieperd worden. De begraafplaatsen worden groter en groter.
      Tijdens de Eerste Wereldoorlog sterven er 10 miljoen soldaten en ook nog eens meer dan 7 miljoen burgers. Meer dan 17 miljoen doden... dat zijn meer mensen dan er nu in Nederland wonen.
      Zie je de felrode klaprozen bij de graven? Dat was zo'n beetje het enige plantje dat op de bloederige slagvelden kans zag om te overleven. De klaproos (in het Engels: 'poppy') is het symbool van de Eerste Wereldoorlog geworden.

    6. Nederland is neutraal

      Dit zijn Belgische mensen die in de Eerste Wereldoorlog van België naar Nederland vluchten. Nederland is namelijk neutraal in deze oorlog. Neutraal-zijn betekent dat je geen partij kiest en dus ook niet mee vecht. Maar ons land merkt de ellende van de Wereldoorlog wel!

      Het Nederlandse leger is voor de zekerheid opgeroepen en staat klaar om Nederland te verdedigen als dat nodig is. Ook de rest van het land merkte maar al te goed dat het om ons heen oorlog is. Grote aantallen Belgische vluchtelingen moeten in tentenkampen worden opgevangen. De werkloosheid groeit, want handelen met het buitenland is moeilijk geworden. Bovendien worden veel schepen die goederen vervoeren met torpedo's tot zinken gebracht.
      Er is weinig voedsel en wat er is, gaat 'op de bon'. Dat betekent dat de regering bepaalt hoeveel ieder gezin krijgt. In 1917 en 1918 is de honger zo erg dat huisvrouwen de voedselvoorraden in Amsterdam en Rotterdam plunderen. Dat wordt het 'aardappeloproer' genoemd.
      Ook België probeerde neutraal te blijven. Maar België moet wel aan de oorlog meedoen als de Duitsers in 1914 met hun leger dwars door het land trekken om Frankrijk te veroveren.

    7. 1917: Amerika doet ook mee

      Vanaf 1917 doet ook Amerika mee aan de Eerste Wereldoorlog. Vanaf dat moment verandert er veel. Op deze poster wordt aan Amerikaanse mannen gevraagd om bij het leger te komen en mee te vechten in de oorlog.

      In 1917 is de oorlog al drie jaar aan de gang. Al die tijd verschuiven de grenzen van het oorlogsgebied nauwelijks. Maar er sterven wel miljoenen soldaten en burgers door al het oorlogsgeweld.
      In 1917 vallen Duitse duikboten een passagiersschip met Amerikanen aan. Nu gaat ook Amerika tegen Duitsland vechten. Amerika sluit zich aan bij de geallieerden: Rusland, Engeland en Frankrijk. Het lukt de Duitsers eerst nog om Rusland te verslaan. Maar in 1918 moet Duitsland het opgeven. Amerika, Frankrijk en Engeland zijn sterker. Duitsland en zijn bondgenoten geven zich over en de oorlog is voorbij.

    8. De Vrede van Versailles

      In 1918 lukt het de geallieerden eindelijk om Duitsland en zijn bondgenoten te verslaan. In het Franse Versailles wordt in 1919 officieel de vrede gesloten. Hier zie je het Verdrag van Versailles.

      Na de oorlog organiseren Amerika, Engeland en Frankrijk een vergadering in Versailles (Frankrijk). Alle belangrijke leiders mogen mee vergaderen in Versailles, behalve die van Duitsland. De landen vinden dat Duitsland de meeste schuld heeft aan de oorlog. Tijdens de vergadering in Versailles sluiten de landen een verdrag waarin over de toekomst van Duitsland besloten wordt. In dit Verdrag van Versailles staat dat Duitsland streng gestraft moet worden. Duitsland krijgt de volgende straf:

      • Duitsland moet gebieden teruggeven aan Frankrijk.
      • Duitsland mag geen echt leger meer hebben.
      • Duitsland moet Engeland en Frankrijk veel geld betalen.

      Veel Duitsers zijn kwaad over de manier waarop ze na de oorlog door de overwinnaars behandeld worden. Dat is één van de redenen waarom de partij van Hitler zo snel kan groeien en er twintig jaar later een tweede wereldoorlog uitbreekt.

    Vensterplaat De Eerste Wereldoorlog. Voor docenten:  Vensterles groep 5-8. Illustratie: E. de Bruijne.

Vensterplaten

1917-1931

De Stijl

Nieuwe kunst

    1. Tijdschrift De Stijl

      Met het tijdschrift De Stijl is het allemaal begonnen. Een groep kunstenaars ging zich 'De Stijl' noemen, net zoals hun tijdschrift. Bij De Stijl hoorden schilders, architecten en dichters. De groep heeft maar kort bestaan, van 1917 tot 1931, maar is wereldberoemd geworden.

    2. Het Rietveld-Schröderhuis

      Dit is het Rietveld-Schröderhuis. Het is gebouwd in 1924 en staat in Utrecht. Gerrit Rietveld heeft het samen met mevrouw Schröder ontworpen. Alles is volgens de regels van De Stijl: overal rechthoeken en geel, rood en blauw. Het is het enige huis dat helemaal een Stijl-huis is.

      Het Rietveld-Schröderhuis is een heel handig huis. Het heeft een hoge kapstok voor mevrouw Schröder en een lage voor haar kinderen. Er is een glazen brievenbus, zodat je altijd kunt zien of er post is. En er zijn luiken aan de binnenkant van de ramen. Mevrouw Rietveld wilde geen gordijnen, dat vond ze ouderwets. Met deze luiken kon ze er toch voor zorgen dat er 's avonds niemand naar binnen kon kijken. Handig he? Maar de bovenverdieping is het allerhandigste...
      Mevrouw Schröder wilde graag een huis zonder tussenmuren. Maar dat mocht niet van de gemeente. Daarom verzint Rietveld een truc. Hij ontwerpt een huis met een grote zolder. De benedenverdieping heeft kamers, de zolder natuurlijk niet. Dat vindt de gemeente prima. Maar op die zogenaamde zolder maakte Rietveld het echte woonhuis! Drie slaapkamers, een badkamer en een woonkamer, allemaal aan elkaar vast. Er zijn wel muren, maar dat zijn schuifwanden. Zo kon mevrouw Schröder zelf kiezen of ze een muur wilde of niet.
      Nu is het Rietveld-Schröderhuis zó beroemd, dat het op de UNESCO werelderfgoedlijst staat. Daar staan gebouwen op die altijd bewaard moeten blijven. Je kunt het Rietveld-Schröderhuis dus altijd zelf gaan bekijken in Utrecht!

    3. Gerrit Rietveld

      Wat denk je, zou deze stoel lekker zitten? Waarschijnlijk niet. Maar dat hoeft ook niet, volgens Gerrit Rietveld. Hij heeft deze stoel gemaakt. Rietveld wilde laten zien wat je écht nodig hebt om een stoel te maken. Als je uit deze stoel ook maar één latje weghaalt, zakt hij in elkaar. Met minder kan het niet. 

      Gerrit Rietveld leefde van 1888 tot 1964. Hij was meubelmaker, net als zijn vader. Zijn vader maakte meubels die in die tijd heel gewoon waren: donker, stevig en zwaar. Gerrit vond dat maar saai. Hij wilde iets nieuws proberen, iets vrolijkers. Hij bouwde deze Rietveldstoel. Beroemde kunstenaars vonden zijn stoel mooi. Ook kunstenaars van De Stijl. Rietveld werd lid van hun groep.

      En hij deed nog iets: hij ging weer naar school. Naar een school voor architecten. Want Rietveld wilde iets groters bouwen dan een stoel. Hij wilde een huis bouwen.

    4. Gedicht 'Trein'

      Dit gedicht stond in het tijdschrift De Stijl. Want ook dichters waren er lid van. Maar zo'n raar gedicht, dat hadden ze nog niet vaak gezien. Het zijn allemaal verschillende lettertypes. En het ene woord is groter dan het andere. En sommige woorden zijn onderstreept.

      Wie heeft dit gedicht gemaakt? Niemand kende de dichter: I.K. Bonset. Mensen begonnen te denken: "Is dat wel een naam, I.K. Bonset? Of is het een nep-naam? Misschien bedoelt de dichter wel: IK Ben Sot, ik ben gek!" Niemand wist het.
      Maar als je goed naar het gedicht kijkt, is het niet zo raar. Het heet 'Trein'. Het ziet er ook een beetje uit als een trein: een lange sliert van woorden. En krijg je ook niet een beetje het gevoel van een trein als je het leest? "Beuken bonken bonk bonk bonk bonk…" Dat was precies wat de dichter wilde.
      De betekenis van woorden en zinnen is niet zo belangrijk. Die moet je even vergeten. Daarom hebben de woorden ook allemaal een ander lettertype. Ze horen niet echt bij elkaar. Het gaat om de losse woorden en om het gevoel dat je daarvan krijgt. Dát is belangrijk.
      Net zoals het bij schilders om het gevoel van een schilderij ging, gaat het bij deze dichter om het gevoel van het gedicht. En wat bleek later? I.K. Bonset is een schilder! Theo van Doesburg, de oprichter van De Stijl, heeft deze gedichten onder een schuilnaam geschreven. Hij was dus niet alleen architect en schilder, maar ook dichter!

    5. Theo van Doesburg & Piet Mondriaan

      Zie je welke kleuren er gebruikt zijn in dit schilderij? En zie je dat er alleen rechte lijnen en vlakken zijn? Het schilderij is helemaal in de stijl van de kunstgroep De Stijl. Het is geschilderd in 1925 door Theo van Doesburg. Hij is de oprichter van De Stijl. Zijn collega Piet Mondriaan is de beroemdste schilder van deze stijlgroep.

      Piet Mondriaan leefde van 1872 tot 1944. Hij schilderde al voordat hij bij De Stijl kwam. Maar zijn schilderijen waren toen heel anders. Je kon goed zien wat hij schilderde: een boerderij of een appelboom bijvoorbeeld. Maar dat veranderde na de Eerste Wereldoorlog. Mondriaan ging steeds abstracter schilderen: een gewone appelboom werd een tekening met allemaal vierkante en rechthoekige vlakjes. Alleen wanneer je weet wat het eigenlijk was, kun je zien wat de vlakjes moeten voorstellen.
      Later gingen Mondriaan nog verder. Hij vond dat een schilderij helemaal niet meer iets bestaands hoefde voor te stellen, ook niet een heel klein beetje. Het gaat niet om wat een schilderij voorstelt. Het gaat erom welk gevoel je ervan krijgt.
      De schilderijen uit die tijd zijn nog steeds rechte vlakken met geel, rood en blauw. Het stelt alleen niks meer voor. Dat lijkt saai, maar dat is het niet! Elk lijntje en elk vlakje is weer anders. Er zijn zwarte lijnen, grijze, dikke, dunne en zelfs het wit is niet overal even wit! Zo worden schilderijen die niks voorstellen toch leuk om naar te kijken!
      Victory Boogiewoogie is een heel bekend schilderij van Piet Mondriaan. Dat schilderij kost maar liefst 37 miljoen euro! Het schilderij is zelfs nog niet eens af ook. De plakbandjes zitten er nog op. Je kunt het zelf gaan bekijken in het Gemeente Museum Den Haag.

    6. Café de Unie

      Dit is Café de Unie. Het is gebouwd in 1925 en staat in Rotterdam. Valt je iets op? Welke kleuren heeft het? Precies: rood, blauw en geel. Het is een Stijl-gebouw! Het is bedacht door meneer J.J.P. Oud (1890-1963). Deze architect hoorde bij De Stijl.

      De Stijl was een groep van kunstenaars. Eén soort kunst was bouwkunst: architectuur. De architecten van De Stijl hebben veel gebouwen bedacht. Ze maakten er tekeningen en plattegronden van. Maar er zijn er maar een paar echt gebouwd. Eén daarvan is het Café de Unie. Je kunt dat gebouw nog steeds bekijken. Het staat in Rotterdam. Je ziet dan alleen niet het echte café. Dat is in de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd. Het nieuwe Café de Unie is nagemaakt in 1986.

    7. Nijntje en De Stijl

      Dit is het beroemdste konijntje op de wereld: Nijntje! Iedereen kent Nijntje. De boekjes over Nijntje zijn in heel veel talen vertaald. Maar wist je dat Nijntje eigenlijk ook een beetje bij De Stijl hoort?

      Dick Bruna, de tekenaar van Nijntje, doet bijna hetzelfde als De Stijl. Hij maakt eenvoudige tekeningen met zwarte lijnen. En hij gebruikt alleen heldere kleuren: rood, geel en blauw. Maar ook groen en bruin. En van hem mogen de lijnen wel rond zijn. In Nijntje zie je invloed van De Stijl.
      De Stijl heeft nog meer invloed gehad. Vooral op de architectuur. De regels van De Stijl zelf waren wel erg streng. Al dat geel, rood en blauw, dat vonden mensen later veel te lastig. Maar gebouwen van De Stijl waren ook heel praktisch en heel licht. Denk maar aan het Rietveld-Schröderhuis. In de stroming die na De Stijl kwam, de Nieuwe Zakelijkheid, bleven mensen zo bouwen: eenvoudig, licht en praktisch.

    8. De stijl van De Stijl

      Dit is een koe! Mooi hé? Of zie je het toch niet echt…? De mensen van De Stijl vonden dit helemaal geweldig. Volgens hen moest een schilderij zo eenvoudig mogelijk zijn. Ze gebruikten alleen rechte lijnen en vlakken, geen rondjes. En ze gebruikten ook maar drie kleuren: geel, blauw en rood. En wit, zwart en grijs.

      Geel, blauw en rood zijn de basiskleuren. Je kunt er alle andere kleuren mee maken. Geel en rood wordt oranje, blauw en rood wordt paars…. We noemen geel, blauw en rood ook wel primaire kleuren.
      Met de primaire kleuren en wit, zwart en grijs kon je volgens De Stijl alles maken. Die kleuren laten rust en harmonie zien. Dat vonden mensen in die tijd belangrijk. De Eerste Wereldoorlog was net voorbij. Er was veel onrust en chaos. De kunstenaars van De Stijl wilden mensen weer een goed gevoel geven. Dat deden ze met lijnen, vlakken en de primaire kleuren.

Vensterplaten

1929-1940

De crisisjaren

Werkloosheid en armoede

    1. Zwarte Donderdag

      Op 24 oktober 1929 gaat het op de beurs van Wall Street in New York (Amerika) helemaal mis. Die dag wordt zwarte donderdag (in het Engels: 'black thursday') genoemd. Er ontstaat crisis in Amerika. De crisis in Amerika merken we ook in Nederland…

    2. Crisis in Nederland

      In 1929 ontstaat er crisis in Amerika. Dat merken we ook in Nederland. De handel met Amerika komt stil te liggen. Bedrijven in Nederland moeten sluiten en werknemers worden ontslagen. Ook in Nederland is er crisis…

    3. Steun

      Zulke rijen mensen zie je in de crisisjaren heel veel. Het zijn steuntrekkers, mensen die steun krijgen. Steun is geld voor werklozen. De regering wil hiermee de arme mensen helpen. Maar ze krijgen maar weinig geld. Je kunt er net de huur mee betalen en een beetje eten van kopen. Om het geld te krijgen, moet je elke dag twee keer een stempelkaart laten afstempelen op een stempellokaal.

      Het stempellokaal is elke dag op een andere tijd open. Je bent eigenlijk de hele dag bezig met stempels halen. Zo kun je niet stiekem werken. Want je krijgt het geld  alleen als je echt heel arm bent. Daar wordt streng op gecontroleerd. De politie kan zomaar binnenkomen om te kijken of je geen spaarpot met geld in huis hebt. Als je een nieuwe jas of nieuwe schoenen hebt, moet je uitleggen hoe je daaraan komt. En dan krijg je in het vervolg minder steun. Als je nog nieuwe kleren kunt kopen, ben je niet echt arm. Dan heb je geen extra geld nodig!
      Mensen vinden het vaak dus heel vervelend om steun te moeten halen. Werklozen schamen zich er ook erg voor. In die tijd is het een schande als je niet zelf voor je eigen eten kunt zorgen. En iedereen kan zien dat je steun krijgt. Als ze je niet in de rij voor het stempellokaal zien staan, dan kunnen ze het wel aan je kleren zien. Want wie steun ontvangt, krijgt ook kleren van de steun: iedereen ziet er hetzelfde uit.
      Sommige mensen gaan nog liever heel slecht betaald werk doen dan dat ze werkloos zijn.

    4. Fietsbelasting

      Dit bordje noemen we een 'fietsplaatje'. In de crisisjaren krijg je zo'n plaatje als je de belasting voor je fiets hebt betaald. Net zoals je nu belasting moet betalen voor een auto, moest je in de crisisjaren belasting betalen voor je fiets. Aan je fietsplaatje kan de politie zien dat je betaald hebt.

      Iedereen die een fiets heeft, moet vanaf 1924 rijwielbelasting betalen. Ook steuntrekkers. Voor hen is dat veel geld. Ze hebben maar net genoeg geld om eten te kopen, daar kunnen ze niet ook nog fietsbelasting van betalen! Maar ze hebben wel een fiets nodig. Want de stempelkantoren zijn soms ver weg, te ver om te lopen.
      Na een paar jaar besluit de regering dat steuntrekkers geen fietsenbelasting meer hoeven te betalen. Ze kunnen vanaf dat moment een gratis fietsplaatje ophalen. Maar in zo'n gratis fietsplaatje zit een gat. Iedereen kan zien dat je werkeloos bent. Dat is nog een extra schande voor de werklozen. Behalve aan je kleren en je stempelkaart, kan iedereen nu ook nog aan je fiets zien dat je steun ontvangt! En het is ook nog eens heel onhandig, want met dit gratis plaatje mag je alleen door de week fietsen. Alleen dan heb je je fiets namelijk nodig om naar het stempellokaal te gaan, zegt de regering. In het weekend mag je dus geen fietstochtje maken. Die strenge regel wordt na een paar jaar weer opgeheven. In 1941 wordt de fietsenbelasting helemaal afgeschaft.

    5. Werkverschaffing

      Deze mensen hebben zelf geen werk meer. Nu moeten ze werken voor de regering. Dat noemen we 'werkverschaffing'. Ze mogen dat werk niet weigeren. En het maakt niet uit wat ze vroeger waren: dokter, groenteman of onderwijzer. Nu moeten ze doen wat de regering wil.

      In de crisisjaren zijn er zoveel mensen die geen werk hebben, dat de regering besluit om 'banen te maken'. Werkverschaffing noemen we dat, verplicht werk voor steuntrekkers. De regering bedenkt een paar hele grote projecten waaraan tienduizenden mannen kunnen werken. De hele Noordoostpolder droogleggen bijvoorbeeld, of geulen uitgraven voor het Amsterdamse bos. En daarna bomen planten en bruggetjes bouwen.
      Voor de regering is dit soort werk erg handig. Ze kunnen veel dingen laten maken met weinig geld, want ze betalen de mensen niet veel. De steuntrekkers zijn er niet zo blij mee. Ze krijgen weinig betaald en werken heel veel uur per dag. Bovendien werken ze vaak ver van huis. Stel dat je in Deventer woont, dan kan je zomaar aan het werk worden gezet om het Twentekanaal bij Enschede uit te graven. Je woont dan de hele week in barakken en kunt alleen in het weekend je vrouw en kinderen zien!

    6. Minister-president Colijn

      Dit is minister-president Colijn. Hij is tijdens de crisisjaren de machtigste man van Nederland. Hij moet ervoor zorgen dat er bezuinigd wordt: er moet minder geld uitgeven worden. Daarom is hij niet bij iedereen populair. In 1934 breekt er zelfs een opstand uit in Amsterdam!

      De regering van Colijn besloot in 1934 om de steun te verlagen. Steuntrekkers raken ervan in paniek. Het is al zo weinig geld dat ze krijgen ! Hoe moeten ze nu rondkomen? In de Amsterdamse wijk de Jordaan  trekken steuntrekkers de straten op om te demonstreren. Ze vechten met de politie. De burgemeester van Amsterdam haalt er zelfs het leger bij om de opstand neer te slaan. Het leger schiet op iedereen die zich verzet. De opstand is snel neergeslagen, maar er vallen wel doden en veel gewonden. En de steunverlaging gaat gewoon door. Deze opstand noemen we het Jordaanoproer.
      Toch doet Colijn ook veel dingen om mensen te helpen. De steun, de fietsplaatjes met een gat erin en de werkverschaffingsprojecten bijvoorbeeld. En dat is in die tijd helemaal niet zo gewoon! Mensen vinden dat de regering er niet voor hoeft te zorgen dat iedereen werk en geld heeft. De regering moet het land besturen. Maar tijdens de crisis zijn er zoveel mensen zonder werk, dat Colijn wel iets moet doen.

Vensterplaten

1940-1945

De Tweede Wereldoorlog

Nederland bezet en bevrijd

    1. Adolf Hitler

      Na de Eerste Wereldoorlog gaat het slecht met Duitsland. Er is veel armoede en werkloosheid. Adolf Hitler is leider van de politieke partij NSDAP (met een adelaar en hakenkruis als teken). Hij belooft de problemen op te lossen. Bijna iedereen stemt op hem. Maar dan begint Hitler oorlog te voeren. Tegen andere landen, maar vooral tegen de Joden.

    2. Begin van de Tweede Wereldoorlog

      10 mei 1940 wordt Nederland binnengevallen door het Duitse leger. De leider van Duitsland heet Adolf Hitler. Als Nederland terugvecht, bombarderen de Duitsers het centrum van Rotterdam. Honderden mensen sterven onder het puin. Nederland geeft zich over en wordt door de Duitsers bezet. Voortaan lopen overal Duitse soldaten op straat. Gewapend!

    3. Aanplakbiljetten

      De Duitsers gebruiken aanplakbiljetten - een soort posters - om opdrachten te geven aan de bevolking. Daarop staat bijvoorbeeld dat iedereen 's avonds binnen moet blijven. Of dat je direct je fiets moet inleveren. Als je dat niet doet, kun je doodgeschoten worden, of zullen er - zoals op dit aanplakbiljet uit Heiloo - tien andere mensen doodgeschoten worden.

    4. Verduisterde ramen

      Valt je iets op aan de huizen? Nergens schijnt licht door de ramen! Om de vliegtuigen van de geallieerden op een dwaalspoor te brengen, moet iedereen van de Duitsers zijn ramen afplakken. Er mag geen straaltje licht meer doorkomen. Ook mag je 's avonds na acht uur niet meer buiten zijn. Behalve als je Duitser of NSB-er bent natuurlijk.

    5. Razzia's

      De Duitsers houden vaak razzia's. Met overvalwagens zetten ze een straat af. Daarna controleren ze alle huizen op onderduikers. Mannen tussen 17 en 50 jaar worden naar Duitsland gevoerd om daar te werken. Joden worden op de trein naar een concentratiekamp gezet en daar vermoord. Ook Anne Frank is zo met haar familie opgepakt en weggevoerd.

    6. NSB-vlag

      Eén politieke partij is blij met de Duitsers: de NSB. Hun leider heet Anton Mussert. Op de foto brengt hij de 'Hitlergroet'. Veel NSB-ers krijgen erebaantjes van de Duitsers. Maar door de rest van de Nederlanders worden ze gehaat, omdat ze graag bij de Duitsers klikken en Joodse onderduikers verraden. Na de oorlog worden veel NSB-ers gestraft.

    7. Persoonsbewijzen

      Iedereen van 14 jaar en ouder moet een 'persoonsbewijs' (een soort paspoort) bij zich hebben. De Duitsers houden vaak controles. Om Joden op te sporen bijvoorbeeld. Of mannen die in Duitse fabrieken moeten werken. Vaak worden persoonsbewijzen daarom vervalst: een Joodse naam als Levi Cohen wordt bijvoorbeeld veranderd in Jan de Vries.

    8. Verzetsgroepen

      Overal in het land komen mensen in verzet tegen de Duitsers. Ze vormen verzetsgroepen: kleine clubjes mensen die steeds acties bedenken om de Duitsers tegen te werken: bruggen opblazen, gevangenen bevrijden, enz. 'Koeriersters' brachten op de fiets stiekem krantjes met verzetsnieuws rond. Vol nieuws over de strijd tegen de Duitsers.

    9. Stiekem

      Achter dit zolderraam zitten misschien wel 'onderduikers': mensen die zich verstoppen uit angst voor de Duitsers. Wie weet luisteren ze net naar een toespraak vanuit Engeland van koningin Wilhelmina op Radio Oranje. Het hebben van een radio is streng verboden, maar veel mensen luisteren stiekem. De woorden van de koningin geven hen nieuwe hoop!

    10. Te weinig eten

      Al snel gaat het eten 'op de bon': alleen met distributiebonnen kun je nog vlees, brood of aardappels kopen. In de strenge winter van 1944 slaat in het westen de honger echt toe. Mensen eten gekookte tulpenbollen om toch maar iets binnen te krijgen. De geallieerden sturen vliegtuigen met voedsel, maar dat is niet genoeg. Veel mensen sterven van de honger.

    11. De bevrijding

      's Nachts vliegen de geallieerden met bommenwerpers naar Duitsland om vliegvelden, fabrieken en steden te bombarderen. Met grote schijnwerpers en kanonnen proberen de Duitsers hun vliegtuigen te raken. Maar ze krijgen het steeds moeilijker. Eindelijk, op 5 mei 1945, geeft Duitsland zich over. Na vijf jaar is de oorlog voorbij. Het is feest!

Vensterplaten

1929-1945

Anne Frank

De Jodenvervolging

    1. Anne Frank

      Anne Frank wordt in 1929 in Duitsland geboren. Ze is een Joods meisje. Als ze vier jaar oud is wordt Hitler de baas in Duitsland. Hij haat Joden. De Joden daar worden steeds slechter behandeld. Daarom vlucht Anne, samen met haar ouders en zus, in 1933 naar Amsterdam.

    2. Het dagboek van Anne Frank

      Het dagboek van Anne Frank is misschien wel het beroemdste dagboek ter wereld. Anne krijgt het cadeau van haar ouders als ze dertien jaar wordt. Het is het eerste dat ze inpakt als ze naar het Achterhuis vertrekt. In het dagboek schrijft ze over de periode dat ze moet onderduiken voor de Duitsers.

      Anne Frank schrijft bijna elke dag in haar dagboek. Ze noemt haar dagboek Kitty. Ze vertelt Kitty alles wat ze in het Achterhuis meemaakt. Ze schrijft over wat haar vrolijk, verdrietig en bang maakt. Het dagboek is eigenlijk haar beste vriendin.

      Anne wil later héél graag schrijfster worden. Ze droomt ervan dat haar dagboek wordt uitgegeven. Anne overleeft de oorlog niet. Ze sterft in een concentratiekamp in 1945. Ze is pas vijftien jaar oud.

      Maar de droom van Anne komt wel uit: in 1947 wordt haar dagboek een echt boek. Het krijgt de titel Het Achterhuis. Anne en haar boek worden wereldberoemd.

    3. Iedere Jood een Jodenster

      In mei 1940 wordt Duitsland de baas in Nederland. Er komen allemaal wetten die van de Joden aparte mensen maken. Ze mogen niet meer overal werken en veel plekken zijn voortaan voor hen verboden. Vanaf mei 1942 moeten alle Joden op hun jas een gele ster dragen met het woord 'Jood' erop.

      Een Jodenster is een gele stoffen ster met het woord 'Jood' erop. De ster moet goed zichtbaar op de kleding gedragen worden. Zo kunnen Joden op straat meteen herkend worden.

      Maar het wordt nog erger. Vanaf juli 1942 beginnen de Duitsers de Nederlandse Joden weg te voeren naar Oost-Europa. Alle Joodse gezinnen moeten hun koffers pakken om daar te gaan werken. Ze worden van huis opgehaald en op de trein gezet naar het concentratiekamp Westerbork in Drenthe.

      Van daaruit worden ze naar vernietigingskampen in Oost-Europa gebracht. Meer dan 100.000 Joodse mannen, vrouwen en kinderen uit Nederland zijn daar vermoord.

    4. Het Achterhuis

      In 1942 wordt het leven voor Joden in Nederland te gevaarlijk. Anne en haar familie duiken onder, op de Prinsengracht in Amsterdam. Dit is het kantoor van vader Otto. Niemand weet dat aan de achterkant van dit huis nog een huis staat: het Achterhuis. Dit wordt de schuilplaats van Anne en haar familie.

      De familie Frank deelt het Achterhuis samen met meneer en mevrouw Pels en hun zoon Peter. Later komt er nog een achtste onderduiker bij: tandarts Pfeffer.

      Als Anne een paar dagen is ondergedoken, schrijft ze uitvoerig over hoe het Achterhuis eruit ziet. (Klik hier en Anne stelt het Achterhuis zelf aan je voor.)

      Anne voelt zich ontzettend opgesloten in het Achterhuis. Ze moet doodstil zijn. Vooral overdag op kantoordagen als er mensen in het bedrijf zijn. Ze is voortdurend bang om ontdekt te worden. Ze schrijft hierover in haar dagboek:

      Het benauwt me ook meer dan ik zeggen kan dat we nooit naar buiten mogen. En ik ben erg bang dat we ontdekt worden en dan de kogel krijgen.

      Je kunt het Achterhuis zelf gaan bezoeken. Het Anne Frank Huis is nu een museum waar ieder jaar heel veel mensen naartoe gaan.

    5. Een boekenkast met een geheim

      Aan de achterkant van het kantoor van Otto Frank staat nog een huis: het Achterhuis. Hier zit Anne samen met haar vader, moeder, zus en nog vier anderen verstopt! Om er voor te zorgen dat niemand de trap ontdekt die naar het Achterhuis leidt, wordt er een draaibare boekenkast voorgezet.

      Meer dan twee jaar lang zit Anne in het Achterhuis ondergedoken. Dan gebeurt waar Anne steeds al zo bang voor is. Anne en de andere onderduikers worden verraden en opgepakt. Ze worden op transport gezet naar kamp Westerbork.

      Vanuit Westerbork worden ze weggevoerd naar concentratiekamp Auschwitz in Polen. Anne en Margot gaan later naar concentratiekamp Bergen-Belsen. De ouders van Anne moeten in Auschwitz blijven.

      Anne en Margot sterven in Bergen-Belsen door uitputting en door ziekte. Anne is dan vijftien jaar. Haar moeder en de andere onderduikers worden ook vermoord. Alleen Otto Frank, de vader van Anne blijft leven.

    6. De kamer van Anne

      In het Achterhuis deelt Anne haar kamer met haar zus Margot. Het is een klein kamertje. Maar dat Anne en Margot samen hun eigen kamer hebben, is voor veel onderduikers al heel bijzonder. Om het wat gezelliger te maken, plakt Anne plaatjes van filmsterren en danseressen aan de muur. Hier schrijft ze ook vaak in haar dagboek.

      Na een tijdje komt ook de Joodse tandarts Frits Pfeffer in het Achterhuis wonen. Om plaats te maken, verhuist Margot naar de kamer van haar ouders. Anne deelt vanaf dat moment haar kamer met Pfeffer.

      Eerst vindt Anne het geen probleem om haar kamer met de tandarts te delen. Maar later ergert ze zich steeds meer aan hem. Ze krijgen ruzie over het bureautje in de kamer.

      Aan dat kleine tafeltje schrijft Anne het liefst in haar dagboek. Het is er veel rustiger dan in de gemeenschappelijke ruimte.

      Maar Pfeffer wil de kamer en het kleine tafeltje eigenlijk helemaal voor zich alleen hebben. Anne mag er van hem alleen zitten als hij er zijn middagdutje doet. Dat heeft hij zelf zo besloten.

      Anne vindt dat natuurlijk helemaal niet eerlijk. Ze schrijft in haar dagboek dat ze moeite heeft Pfeffer "geen klap voor zijn snuit te geven".

      Anne wil twee middagen hebben waarop zij aan het tafeltje mag schrijven en werken. Maar Pfeffer wil daar niks van weten. Pas als Annes vader met hem gaat praten, krijgt Anne haar zin. Frits Pfeffer is zo boos dat hij een tijdje niet meer met Anne praat.

    7. Otto Frank

      Anne is dol op haar vader Otto Frank. Hij is de enige die de oorlog overleeft. De andere onderduikers uit het Achterhuis sterven in een concentratiekamp. Als de oorlog voorbij is keert Otto terug naar Amsterdam.

      Otto krijgt van Miep Gies het dagboek van Anne. Miep Gies is de vrouw die Anne en de andere onderduikers bij het onderduiken heeft geholpen. Toen ze werden opgepakt, heeft Miep het dagboek van Anne gevonden en al die tijd bewaard. Pas als ze zeker weet dat Anne niet meer leeft, geeft Miep het aan Otto.

      Otto durft het dagboek niet meteen te lezen. Maar uiteindelijk leest hij het toch. Hij besluit om van het dagboek een boek te maken. Dat was namelijk de grootste wens van zijn dochter Anne. Ook vindt Otto het heel belangrijk dat de mensen zelf kunnen lezen over wat er allemaal met Joden is gebeurd in de oorlog.

    8. Edith Frank

      Dit is Edith Frank, de moeder van Anne. Tijdens het onderduiken heeft Anne vaak ruzie met haar. Anne schrijft in haar dagboek: "Mijn moeder is wel een voorbeeld in de meeste dingen voor mij, maar juist een voorbeeld zoals ik het niet moet doen!"

    9. Margot Frank

      Margot Frank is de zus van Anne. Ze is drie jaar ouder dan Anne. Anne en Margot zijn héél verschillend. Anne is druk en vrolijk. Margot is stil en serieus. Margot houdt vooral van lezen en leren.

      In 1942 krijgt Margot een oproep, net als alle andere zestienjarige Joodse jongens en meisjes in Nederland. In de oproep staat dat ze verplicht moet komen werken in Duitsland. Als ze dat niet doet, wordt ze opgepakt door de Duitsers.

      De familie Frank besluit nu niet langer meer af te wachten. Het is niet meer veilig! Ze duiken onder in het bedrijf van Otto Frank aan de Prinsengracht in Amsterdam.

    10. Peter van Pels

      Dit is Peter van Pels. Ook hij zit ondergedoken in het Achterhuis, samen met zijn ouders. Als Anne Peter pas ontmoet, schrijft ze in haar dagboek over hem dat hij een "tamelijk saaie en verlegen slungel" is. Maar later denkt ze daar heel anders over. Ze wordt verliefd op hem!

    11. Miep Gies

      Miep Gies is secretaresse voor het bedrijf van Annes vader. Samen met drie andere medewerkers van het kantoor helpt ze Anne en de andere onderduikers. Ze zorgt voor spullen zoals eten, kleding, toiletspullen en boeken. Dat is heel gevaarlijk, want op het helpen van onderduikers staan hele zware straffen.

      Ruim twee jaar helpt Miep Anne en de andere onderduikers. Dan gebeurt waar iedereen al die tijd al zo bang voor is: Anne en de andere duikers worden verraden, opgepakt en weggevoerd. Miep vindt het dagboek van Anne. Samen met Bep Voskuil, een van de andere helpers, zorgt ze ervoor dat de Duitsers het dagboek niet te pakken krijgen.

      Maar Anne overleeft de oorlog niet. Daarom geeft Miep het dagboek na de oorlog aan Otto Frank, de vader van Anne. Hij besluit om van het dagboek een boek te maken. Het krijgt de titel "Het Achterhuis".

      Miep vindt het belangrijk dat Anne herdacht wordt en dat iedereen weet wat er met haar gebeurd is. Heel haar leven zet ze zich daarvoor in. Miep Gies is heel oud geworden, maar liefst 101 jaar!

    12. Voedselbonnen

      Dit zijn voedselbonnen uit de Tweede Wereldoorlog. Deze bonnen worden uitgedeeld om het kleine beetje eten dat er is, eerlijk te verdelen. Op de bonnen staan nummers en wat je ervoor kunt krijgen. Maar dan moet je wel snel zijn, anders is het al op.

Vensterplaten

1945-1949

Indonesië

Een kolonie vecht zich vrij

    1. Een kolonie van Nederland

      Indonesië is een eilandengroep in Zuid-Oost Azië. Dat is helemaal aan de andere kant van de wereld. Toch hebben Nederland en Indonesië heel veel met elkaar te maken. Indonesië was vroeger een kolonie van Nederland.

    2. Alles verandert!

      In 1942, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vechten Nederland en Japan tegen elkaar in de Javazee. Nederland wil zo voorkomen dat Japan Nederlands-Indië binnenvalt. Japan wil een groot rijk veroveren en is al de baas in een groot deel van Azië. Nederland verliest het gevecht. Een week later geeft Nederland zich over. Japan is nu de baas in Nederlands-Indië.

      Vanaf het moment dat Japan de baas is in Nederlands-Indië, is het eigenlijk geen kolonie meer van Nederland. Sommige Indonesiërs verwelkomen de Japanners als hun bevrijders. Ze willen dat het Japanse leger de Nederlanders verjaagt. Dan zal Indonesië deel van een groot Aziatisch land worden en na een tijdje eigen baas zijn.

      De Japanners stoppen Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen in werkkampen. Die worden al snel 'Jappenkampen' genoemd. Daar krijgen ze weinig te eten en moeten ze heel hard werken. Als ze niet luisteren naar wat de Japanners zeggen, worden ze zwaar gestraft.

      De oorlog in Azië duurt lang. Japan blijft doorvechten, ook als Duitsland zich overgeeft. Maar dan zetten de Amerikanen een nieuw wapen in om een einde aan de oorlog te maken: de atoombom. Op 6 augustus 1945 gooien ze er een op de Japanse stad Hiroshima en drie dagen later op Nagasaki. Meer dan honderdduizend mensen komen om het leven. Zes dagen later geeft Japan zich over. De Tweede Wereldoorlog is nu eindelijk echt voorbij.

    3. Jappenkampen

      In 1942 wordt Japan de baas in Nederlands-Indië. Nederlandse en Indische mannen, vrouwen en kinderen worden in werkkampen gestopt. Ze worden ook wel 'Jappenkampen' genoemd. Mannen zitten in mannenkampen en de vrouwen en kinderen in vrouwenkampen. Het leven is daar heel zwaar. Veel mensen gaan dood in het kamp.

      De Japanners dwingen gevangenen ook een spoorlijn aan te leggen in Birma. (Birma heet nu Myanmar. Het ligt vlak bij Indonesië.) Het werk is heel zwaar en de Japanners mishandelen de gevangen. Honderdduizenden Indonesiërs en ongeveer 15.000 Europeanen gaan dood bij het aanleggen van het spoor. Je snapt nu misschien wel waarom deze spoorlijn ook wel 'het dodenspoor' wordt genoemd.

      In Den Haag staat sinds 1988 'het Indisch Monument'. Het is een monument ter nagedachtenis aan alle Nederlanders die tijdens de Japanse bezetting in de kampen of tijdens dwangarbeid zijn gestorven.

    4. Indonesië roep de onafhankelijkheid uit

      Wij, het volk van Indonesië, verklaren hierbij dat Indonesië onafhankelijk is... Deze woorden spreekt Soekarno uit op 17 augustus 1945. Het is een korte bijeenkomst ergens op straat. Maar zo laat Indonesië de wereld weten dat het land geen kolonie van Nederland meer wil zijn. 

      Al voor de Tweede Wereldoorlog willen steeds meer Indonesiërs eigen baas zijn. Soekarno is hun leider. Maar Nederland wil zijn kolonie niet kwijt. Er wonen veel Nederlanders. En de Nederlanders verdienen veel geld aan de producten die uit Nederlands-Indië komen. Daarom treedt Nederland hard op. Wie tegen de Nederlandse regering protesteert, komt in de gevangenis. Ook Soekarno.

      Als in 1942 de Japanners de baas worden in Nederlands-Indië, laten ze Soekarno en de andere gevangenen vrij. In 1945 is de oorlog voorbij. Soekarno wil niet dat zijn land opnieuw een kolonie van Nederland wordt. Daarom roept hij twee dagen na het eind van de oorlog in Azië de zelfstandige Republiek Indonesië uit. Soekarno wordt de eerste president van de nieuwe Republiek. 

    5. Vechten voor vrijheid

      Nederland is het niet eens met het uitroepen van de Republiek Indonesië in 1945. De regering praat met de leiders van de nieuwe republiek. Maar er komt geen oplossing. Dat betekent weer vechten: de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog breekt uit. Er wordt hard gevochten. Toch lukt het Nederland niet om opnieuw de baas te worden in de kolonie.

    6. Een zelfstandig land

      Op 27 december 1949 wordt in het Paleis op de Dam in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht getekend. Hiermee verklaren de Nederlandse minister-president Willem Drees en koningin Juliana dat de Republiek Indonesië onafhankelijk is. Indonesië is nu officieel een vrij land. Nederland doet dit niet helemaal vrijwillig. Er is veel druk vanuit het buitenland.

      Veel Nederlanders hebben jarenlang gewerkt en gewoond in Indonesië. Nu moeten ze terug naar Nederland. Sommigen zijn in Indonesië geboren en hebben Nederland nog nooit gezien.

      Ook veel Indonesiërs willen niet meer in het land wonen. Ze voelen zich er niet meer zo welkom. Ruim 300.000 Nederlanders, Indische Nederlanders, Papoea's en Indonesiërs verlaten na 1949 het land. De meesten gaan naar Nederland. Ook 12.500 Molukse soldaten verlaten Indonesië. Ze hadden gevochten in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL).

      In 2005 vieren de Indonesiërs dat ze 60 jaar vrij zijn, sinds 1945 dus. Terwijl het land volgens Nederland eigenlijk pas vanaf 1949 zelfstandig is. Toch bezoekt de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken de viering. Met zijn bezoek geeft Nederland alsnog toe dat Indonesië in 1945 is ontstaan.

      De minister zegt tijdens de 60-jarige viering dat Nederland spijt heeft over de jaren na de Tweede Wereldoorlog waarin Nederland met geweld de macht probeerde terug te krijgen.

    7. De vlag van de Republiek Indonesië

      Dit is sinds 17 augustus 1945 de vlag van Indonesië. Hij heeft twee kleuren: rood en wit. Voor veel Indonesiërs zijn dat heilige kleuren. Rood is de kleur van de suikerpalm en wit van rijst. Suiker en rijst zijn de belangrijkste ingrediënten van de Indonesische keuken.

Vensterplaten

1886-1988

Willem Drees

De verzorgingsstaat

    1. Een belangrijke minister-president

      Veel mensen vinden Willem Drees de beste minister-president van de afgelopen honderd jaar. Willem Drees was minister-president in de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog, van 1948 tot 1958. Een minister-president is de leider van de ministers.

    2. Voorvechter voor de arbeiders

      Dit is een verkiezingsposter van de Partij van de Arbeid (PvdA) uit 1952, met daarop het portret van Willem Drees. Willem Drees was een echte voorvechter voor de arbeiders. Hij werd al jong lid van de arbeiderspartij, die toen nog de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) heette.

      Willem Drees werd geboren in 1886 in Amsterdam. Toen hij vijf jaar oud was, overleed zijn vader. Het gezin had veel problemen want ze hadden geen inkomen meer. Dankzij een rijke oom kon Willem Drees toch zijn opleiding afmaken.

      Toen Willem Drees achttien jaar oud was, werd hij lid van de arbeiderspartij. De jaren dertig van de vorige eeuw waren crisisjaren. Het ging heel slecht in Nederland: er was veel werkloosheid en armoede. Drees wist uit eigen ervaring goed hoe het is om in armoede te leven. Hij wilde zich daarom inzetten voor de werklozen, de bejaarden, de zieken en de armen.

      En toen brak in 1940 de Tweede Wereldoorlog uit. Nederland werd bezet door de Duitsers. Willem Drees werd gevangen gezet in een concentratiekamp. Na een jaar kwam hij weer vrij.

      In het diepste geheim schreef Willem Drees plannen voor wat er allemaal veranderen moest in Nederland na de oorlog. Die plannen kon hij uitvoeren toen hij na de oorlog in de regering kwam. Eerst als minister van Sociale Zaken en later als minister-president.

    3. Tijd voor wederopbouw

      Willem Drees werd minister-president in een moeilijke tijd. De Tweede Wereldoorlog was net voorbij. Er was veel vernield. Met de handel en de industrie stond het er slecht voor. Tijd om het land weer op te bouwen, vond Drees. Er moest hard gewerkt worden! Heel Nederland deed mee. Er werden nieuwe huizen gebouwd en fabrieken draaiden weer.

      Willem Drees vond dat alle Nederlanders mee moesten werken aan de wederopbouw en dat ze zuinig moesten leven. De mensen verdienden wat minder geld, maar daardoor kwam Nederland sneller uit de problemen. Het betekende wel dat je dus geen auto of televisie kon kopen. Dat moest maar even wachten.

      Samenwerken, daar ging het om. Samen het land weer opbouwen, dat was wat Drees wilde. In die tijd was Nederland opgedeeld in groepen. Het was normaal dat je veel dingen binnen je eigen groep deed. Je zat op een protestantse school, een rooms-katholieke voetbalclub of de socialistische scouting. Maar Drees vond dat het niet uitmaakte waar je bij hoorde, als je maar samenwerkte.

    4. Het goede voorbeeld

      In verhalen over Willem Drees draait het vaak om zuinigheid en eenvoud. De belangrijkste man van Nederland had geen auto met chauffeur nodig. Hij liep of fietste naar zijn werk. 's Middags ging hij niet luxe lunchen, maar gewoon naar huis om met mevrouw Drees een boterham te eten. Zijn leven lang heeft hij het goede voorbeeld willen geven.

    5. De verzorgingsstaat

      Willem Drees bouwde, samen met de regering, aan een 'verzorgingsstaat'. In een verzorgingsstaat zorgen mensen voor elkaar. Via de belasting zorgt de regering dat zieke, werkloze of arme mensen toch geld hebben om van te leven. Het bekendste voorbeeld is de Algemene Ouderdoms Wet (AOW) uit 1956.

      Willem Drees kwam in 1947 met de 'Noodvoorziening voor ouden van dagen'. Die wet was nodig omdat heel veel mensen toen geen pensioen kregen na hun 65e. Ze hadden dus geen geld als ze oud waren en niet meer konden werken. Willem Drees zorgde ervoor dat die mensen vanaf dat moment wel een uitkering kregen.

      Een alleenstaand iemand kreeg ongeveer vier euro per week en een echtpaar zeven euro. Dat lijkt misschien niet veel, maar in die tijd kon je daar veel meer van kopen dan nu. Met de uitkering kon je dus voor jezelf zorgen, zonder afhankelijk te zijn van de hulp van iemand anders.

      Maar daar bleef het niet bij. Als Willem Drees in 1948 minister-president wordt, komen er nog veel meer wetten voor mensen die niet goed voor zichzelf kunnen zorgen. De weduwen- en wezenwet, de ziekte- en werkloosheidwet en natuurlijk de AOW, de Algemene Ouderdoms Wet uit 1956. Tot op de dag van vandaag bestaan deze wetten nog.

    6. 'Vadertje Drees'

      Willem Drees was een van de populairste minister-presidenten die Nederland gekend heeft. Op zijn verjaardag kreeg hij zakken vol post, met kaarten, brieven en tekeningen. Maar de mensen stuurden ook cadeautjes, zoals dit portret. Als je er goed naar kijkt, zie je dat het helemaal gemaakt is van schelpen! Je kunt het zelf gaan bekijken in het Rijksmuseum.

      De bijnaam van Willem Drees was 'vadertje Drees'. De Nederlanders zagen hem als een vader die voor hen zorgde.

      Willem Drees kreeg de bijnaam 'Vadertje Drees' vooral door zijn 'Noodvoorziening voor ouden van dagen' uit 1947. Dat is nu de AOW, een geldbedrag dat alle mensen van 65 en ouder krijgen.

      De mensen waren Willem Drees erg dankbaar. Sommigen dachten zelfs dat hij het echt uit zijn eigen zak betaalde. Ze zeiden dan ook wel: "We trekken van Drees".

    7. Marshall-hulp

      Dit is een Mariakaakje: een rond en knapperig koekje. Willem Drees at ze bij de thee. Hij vond een taartje bij de thee maar overdreven. Een droog kaakje was goed genoeg. Daar is een mooi verhaal over. Het heet 'Het Mariakaakje-overleg' en het gaat over hulp van Amerika aan Nederland.

      Het verhaal gaat zo: "Op een dag in 1947 krijgt Willem Drees hoog bezoek. Twee belangrijke mannen uit de Verenigde Staten van Amerika komen bij Drees thuis. Ze komen praten over mogelijke financiële hulp van Amerika aan Nederland, de zogenoemde 'Marshall-hulp'. Dat geld zou Nederland zo vlak na de oorlog goed kunnen gebruiken om het land weer op te bouwen. Maar Amerika wil dat geld alleen betalen, als ze er vertrouwen in hebben dat het goed besteed wordt.

      Als het tijd voor thee is, serveert mevrouw Drees geen luxe gebakjes, maar eenvoudige mariakaakjes.  De Amerikanen kijken elkaar aan, en besluiten dan dat een land met zo'n zuinige minister-president het geld zeker goed zal besteden. Nederland krijgt de Marshall-hulp."

      Of het echt zo gegaan is? Waarschijnlijk niet. Het verhaal is waarschijnlijk verzonnen door de minister van Buitenlandse Zaken Josef Luns, en het werd meteen heel beroemd. Een feit is dat Nederland de Marshallhulp heeft gekregen, en dat het geld goed heeft geholpen bij de wederopbouw van Nederland.

    8. Zuinig aan!

      Dit is een heel handige spaarpot. Het is een spaarpot waarmee je kan 'budgetteren'. Een budget is het geld dat ergens aan besteed mag worden. Een kledingbudget is bijvoorbeeld geld dat je gebruikt om kleding te kopen. Op die manier weet je zeker dat je niet meer geld uitgeeft dan je hebt.

      Minister-president Willem Drees vroeg de mensen om zuinig te zijn. Er werd afgesproken dat de mensen voorlopig moesten werken voor een laag loon. De mensen verdienden dus wat minder geld. Maar daardoor zou de economie van Nederland weer sterk worden.

      Het betekende dat je heel bewust met je geld moest omgaan. Als je weinig geld hebt, moet je eerst goed nadenken voordat je het uitgeeft. Je moet dan gaan 'budgetteren'. Als je budgetteert maak je eigenlijk allemaal aparte potjes. Een potje voor de boodschappen, een potje voor het gas en het licht, een potje voor de vakantie, enz. Zo weet je precies hoeveel je aan wat uitgeeft en kom je niet zo snel voor verrassingen te staan.

      Deze spaarpot hielp je bij het maken van een overzicht van wat je kreeg en wat je uitgaf. Dat was ook wel nodig: in de tijd van Willem Drees kregen de mensen hun loon contant in een zakje mee naar huis. Er bestonden er nog geen overzichtelijke giro- of bankafschriften. En van internetbankieren had nog helemaal niemand gehoord...

Vensterplaten

1 februari 1953

De watersnood

Het gevaar van het water

    1. En toen braken de dijken

      Het is de nacht van 31 januari op 1 februari, 1953. Er is een heftige Noordwesterstorm en springvloed. Hierdoor staat het water veel hoger dan normaal. Door de kracht van het water bezwijken veel dijken in Zeeland, het westen van Noord-Brabant en op de Zuid-Hollandse eilanden. Ze breken door. Het is een ramp!

    2. Een nationale ramp!

      De watersnood van 1953 is een grote ramp. De dijken breken als de meeste mensen liggen te slapen. Heel veel dorpen overstromen. Het water komt de huizen binnen. Mensen vluchten hun zolder of dak op, zonder eten of drinken. Er hangen zelfs mensen in de bomen om maar niet met het water meegesleurd te worden.

      Er verdrinken zo'n 1800 mensen. Nog eens 72.000 mensen raken dakloos. Hun huis is overstroomd en vernield door de storm en de kracht van het water en de modder. Al die slachtoffers moeten tijdelijk worden opgevangen bij andere mensen thuis.

      Ook duizenden koeien, paarden en ander vee overleven het water niet. Minstens 200.000 hectare land overstroomt. Zo'n grote overstroming heeft Nederland nog nooit meegemaakt.

    3. Het schip van schipper Arie Evegroen

      Dit is het schip van schipper Arie Evegroen. Als de dijk bij Nieuwerkerk aan de IJssel doorbreekt, vaart schipper Arie Evegroen met zijn schip De twee gebroeders in het kolkende gat en redt daarmee de Zuid-Hollandse polders en heel veel mensenlevens.

      Achter die hoge dijk bij Nieuwerkerk aan de IJssel liggen hele diepe polders. Als tijdens de dijkdoorbraak het water ook daarheen had kunnen stromen, was de ramp nog veel groter geweest. Dan was het gebied van Rotterdam tot Gouda ook onder water komen te staan. In dat deel van Nederland wonen heel veel mensen.

    4. Redders in nood

      Zodra het licht wordt, wordt de eerste hulp geboden. Vissers varen met bootjes door de polders om mensen van zolders en daken te redden. Pas op de tweede en derde dag na de overstroming wordt voor heel Nederland duidelijk hoe groot de ramp is. De hulpverlening komt nu pas goed op gang.

    5. Opvang en hulpverlening

      De mensen die de ramp overleven, hebben snel hulp nodig. Soms hebben ze al een paar dagen niets gegeten of gedronken. Ook zijn ze verkleumd door water en winterkou. De mensen worden opgevangen in kerken en scholen. Daar krijgen ze eten en dekens om zich mee warm te houden. Hun huizen en spullen - en erger nog: vaak ook hun familieleden - zijn ze kwijt.

      Als duidelijk wordt hoe erg de ramp is geweest, komt in binnen- en buitenland de hulpverlening op gang. Veel mensen willen graag geven voor de slachtoffers. Er wordt geld ingezameld, maar ook handige spullen. Zo kregen de slachtoffers pakketten met kleding, nieuwe meubels en zelfs landbouwwerktuigen. Omdat veel mensen in die tijd boer waren, konden ze die goed gebruiken. Er wordt zoveel ingezameld, dat er zelfs spullen overblijven!

      Vanuit het buitenland worden vaak ook houten bouwpakkethuizen opgestuurd, die snel in elkaar gezet konden worden. Nog altijd staan in Zeeland en Zuid-Holland een aantal van die houten huizen.

    6. Het leger schiet te hulp

      Het Nederlandse leger wordt ingezet om te helpen. Ook buitenlandse legers schieten te hulp: België, Frankrijk, Engeland en Amerika sturen vliegtuigen, boten en helikopters naar het rampgebied. Vliegtuigen werpen levensmiddelen op de getroffen dorpen. Helikopters vliegen af en aan naar de dorpen en kunnen nog veel mensen redden.

    7. Koningin Juliana bezoekt het rampgebied

      Tijdens de watersnood van 1953 is Juliana de koningin van Nederland. Op deze foto staat ze tussen kinderen die de ramp hebben meegemaakt. Deze kinderen krijgen allemaal een konijn van haar als troost voor de dieren die ze bij de ramp zijn verloren.

      Koningin Juliana is erg betrokken bij de mensen die getroffen zijn door de ramp. Tijdens haar bezoek aan het rampgebied loopt ze op kaplaarzen door het overstroomde gebied.

      Koningin Juliana vindt het erg dat mensen dakloos zijn geworden en niet meer in hun eigen huis kunnen wonen. Daarom woont ze uit medeleven ook een tijdje niet in haar paleis, maar in een gewoon huis in Den Haag.

    8. Dijkgaten dichten

      Na de ramp moeten de gaten in de dijken worden gedicht: een enorm karwei dat vele maanden duurt. Sommige dijkgaten worden met 'caissons' afgesloten. Dat zijn grote drijvende betonnen bakken.

      Zodra de caisson naar de juiste plek is geduwd, laten ze hem vol water lopen zodat hij precies in het dijkgat naar de bodem zinkt. Daarna wordt hij volgestort met zand en stenen. Op 6 november 1953 wordt het laatste dijkgat, bij Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland, met vier caissons afgesloten. In die caissons is nu het Watersnoodmuseum.

    9. De Deltawerken

      Op deze kaart zie je de Deltawerken. Na de ramp van 1953 zijn de mensen in Nederland vreselijk geschrokken. Hun land is niet zo veilig als ze dachten! De regering besluit om Nederland beter te gaan beschermen. Er wordt een kostbaar en ingewikkeld plan bedacht: het Deltaplan.

      Het Deltaplan is een enorm project! Er worden dammen gebouwd tussen alle eilanden van Zeeland en Zuid-Holland. De zee- en rivierdijken moeten worden versterkt en er komt een stormvloedkering in de Hollandse IJssel.

      Tijdens het bouwen aan de Deltawerken, komen ze erachter dat het niet slim is om alle zeegaten in Zeeland helemaal af te sluiten. De zoutwaternatuur in de Zeeuwse delta is heel bijzonder. Als alles wordt afgesloten, zou die speciale natuur uit Zeeland verdwijnen. Daarom krijgt de Oosterschelde een stormvloedkering. Het zeewater kan er gewoon doorheen stromen. Alleen in geval van nood gaan de openingen dicht.

      De Westerschelde is het enige zeegat dat niet wordt afgesloten. Dat zou onhandig zijn, want de Westerschelde is de toegang tot de havens van Antwerpen en Gent. Daarom worden in dit gebied alle zeedijken zwaar verstevigd.

    10. Nederland ligt onder de zeespiegel

      Grote delen van Nederland liggen onder de zeespiegel. Dat betekent dat die stukken land lager liggen dan de zee. Als er geen duinen en dijken waren, zouden ze overstromen. Hoe hoog of laag het land ligt, kun je aflezen op een N.A.P.-meter.

      NAP is de afkorting van 'Normaal Amsterdams Peil', de gemiddelde hoogte van de zeespiegel ter hoogte van Amsterdam. Met een NAP-meter kun je zien of een stuk land hoger (boven NAP) of lager (onder NAP) ligt dan het zeeniveau. Sommige plaatsen in Nederland liggen wel meer dan 6 meter lager dan de zee. Nieuwerkerk aan den IJssel ligt 6,76 meter onder NAP. Daarmee is deze plaats het laagste punt van Nederland.

      Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en regent het meer. In 1993 en in 1995 was de toestand in Nederland weer gevaarlijk: bijna overstroomden de grote rivieren. Veel dijken zijn daarna extra opgehoogd. Maar hoe lang kunnen we daarmee doorgaan? Gelukkig hebben wij in Nederland veel mensen die daar van alles over weten. Die mensen heten waterbouwkundigen.

      Veel waterbouwkundigen vinden dat de rivieren meer ruimte moeten krijgen. Ze vinden dat er noodoverloopgebieden moeten komen. Dat zijn gebieden waar het water naartoe kan als de rivieren te hoog staan. Volgens hen moeten we leren leven mét het water in plaats van strijden tegen het water.

Vensterplaten

vanaf 1948

De televisie

Venster op de wereld

    1. Het begin van televisie in Nederland

      Op 2 oktober 1951 is de eerste officiële televisieaflevering in Nederland te zien. De uitzending is groot nieuws. De volgende dag staat in een van de kranten: "Gisteren keken we naar een toverspiegel, die televisie heet en die net als in sprookjes zo duur is dat je voorlopig een prins of prinses moet zijn om er één te kunnen kopen…"

      Al in 1948 begint de Philipsfabriek uit Eindhoven met het maken en uitzenden van televisieprogramma's. Philips is het eerste Nederlandse bedrijf dat televisies maakt en wil ze graag verkopen, het liefst in heel Europa. Maar mensen kopen natuurlijk alleen een televisie als er ook iets op te zien is!

      De programma's van Philips kun je dan nog alleen in de buurt van Eindhoven zien. In 1951 nemen de radio-omroepen de televisie-experimenten over. Met steun van Philips komen er ook uitzendingen voor het westen van het land. Daar wonen namelijk nog veel meer mensen die een televisie kunnen kopen. Vanaf dat moment zijn de uitzendingen in een groot deel van Nederland te zien.

    2. De eerste televisie

      Dit is een van de eerste televisies: een grote houten doos met een klein beeldscherm. Wat een verschil met de grote, platte televisies van tegenwoordig! De eerste televisies hebben alleen zwart/wit-beeld. En er hoort geen afstandsbediening bij. Toch zijn mensen dolenthousiast: ze kunnen nu thuis bewegende beelden van over de hele wereld zien.

      Rond 1950 worden in Nederland de eerste televisies verkocht. Nog maar weinig mensen hebben zo'n gloednieuw apparaat in huis: in heel Nederland zijn dan ongeveer 500 televisies. Voor de meeste mensen is het nog te duur. De radio blijft het meest populair.

      Omdat mensen toch graag TV willen kijken, gaan ze graag op bezoek bij mensen die wel een televisie hebben. Of ze staan uren te kijken voor een etalage met daarin een televisie waarop een voetbalwedstrijd te zien is.

      Maar het aantal TV's neemt snel toe. In 1961 zijn er al een miljoen televisies in Nederland en in 1970 heeft bijna elk gezin er een.

      Tegenwoordig is het niet meer zo dat in elk huis 'maar' één tv staat. Je kunt ze overal tegenkomen: in de woonkamer, in de slaapkamer en sommigen hebben hem zelfs in de badkamer of in de keuken. In Nederland hebben we nu zo'n dertien miljoen televisies.

    3. Samen kijken

      Rond 1950 verkoopt het bedrijf Philips in Nederland de eerste televisies. Veel mensen zijn bang dat de televisie het einde is van het 'gezellige' gezin. Philips probeert in zijn reclames te laten zien dat het thuis juist gezelliger wordt als je allemaal samen naar de televisie kijkt. De indeling van de huiskamers verandert in elk geval wel door de tv!

      Het leven verandert door de komst van de televisie. Vroeger was de eettafel het midden van de huiskamer. Daarop speelden mensen 's avonds vaak spelletjes. Met de komst van de televisie gaat de eettafel naar een hoek van de kamer, en komt de televisie op de belangrijkste plek te staan: Iedereen moet vanaf de bank of een stoel de tv kunnen zien.

      Sommige mensen hebben kritiek op de televisie. Zij vinden dat de televisie je suf maakt. In plaats van zelf iets te doen, hang je maar voor de tv. Vooral op jongeren kan de televisie een slechte invloed hebben, vinden ze.

      Voorstanders zeggen juist dat de televisie het gezin nog gezelliger maakt. Ze vinden het ook goed dat je er zoveel van leert. Want op tv wordt over van alles gepraat en daardoor kun je beter je mening vormen.

      En wat vind jij?

    4. Het journaal

      Op 5 januari 1956 wordt er voor de eerste keer het NTS (nu NOS) journaal uitgezonden op de Nederlandse televisie. In het begin worden er maar drie journaals per week uitgezonden. Dat worden er steeds meer. Nu zendt de NOS meerdere journaals per dag uit. Speciaal voor kinderen is er twee keer per dag het NOS Jeugdjournaal. Kijk jij ook?

    5. Verschillende zenders

      Tegenwoordig kun je 24 uur per dag, 7 dagen per week televisie kijken. Er zijn wel 35 verschillende kanalen. Maar in de begintijd was er maar één kanaal. Daarop werden maar een paar uur per dag uitgezonden. Iedereen met een televisie zag dezelfde programma's! Dat veranderde pas toen in 1964 Nederland 2 en in 1988 Nederland 3 erbij kwamen.

      Nederland 1, 2 en 3 zijn 'publieke zenders'. Een publieke zender krijgt geld van de overheid om programma's te maken. Dat geld komt uit belastingen, betaald door de Nederlanders.

      Naast publieke zenders zijn er ook commerciële. Commerciële zenders krijgen géén geld van de overheid. Ze moeten voor hun eigen geld zorgen. Daarom zenden ze veel reclame uit. Van het geld dat ze hiermee verdienen kunnen ze hun programma's maken. Voorbeelden van commerciële zenders in Nederland zijn RTL4 en SBS6.

      Tegenwoordig ziet niet meer iedereen hetzelfde programma op hetzelfde moment. Je kunt nu zelf beslissen wanneer je een programma bekijkt, want je kunt programma's opnemen of op internet terugkijken.

    6. Televisie voor kinderen

      In de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn er niet veel kinderprogramma's op de televisie. Dat verandert langzaam maar zeker als in de jaren '60 televisie steeds belangrijker wordt. Er komen meer zenders en meer kinderprogramma's. De Fabeltjeskrant, met meneer de Uil, is daar een bekend voorbeeld van. Welk programma is jouw favoriet?

    7. Loeki de Leeuw

      Op 2 januari 1967 is er voor het eerst een reclamespot op de Nederlandse televisie te zien. Reclames worden uitgezonden door de STER. Tussen 1972 en 2004 was er tussen de STER-reclamespots door telkens een grappig filmpje van Loeki de Leeuw zien. Misschien ken jij hem wel van de Gouden Loeki. Dat is de prijs voor de beste tv-reclame.

    8. Computer

      Dit is een van de eerste computers voor thuisgebruik. Hij werd gemaakt in 1977. Na de televisie betekent de computer de volgende 'informatierevolutie'. Tegenwoordig kun je met de computer, internet en je mobiele telefoon of tablet supersnel informatie ontvangen en versturen. Overal en altijd! De wereld lijkt zo steeds kleiner te worden.

    9. Sociale media

      Ken je dit vogeltje? Het is het logo van Twitter. Twitter, Hyves en Facebook zijn voorbeelden van sociale media. Via sociale media kun je met je vrienden 'chatten', en foto's en filmpjes uitwisselen. Maak jij gebruik van sociale media?

      Je moet wel voorzichtig zijn als je een profiel aanmaakt en uitkijken met wat je opschrijft en met wie je jouw foto's en verhaaltjes deelt. Je weet maar nooit wie het allemaal lezen.

      Je kunt jouw profielpagina zo afschermen dat alleen jouw vrienden het kunnen lezen. (Jouw ouders, juf of meester kunnen je vast goede tips geven over hoe je hier verstandig mee omgaat.)

      Maar als je goed oplet zijn sociale media vooral heel erg leuk. Wist je dat Nederlanders tot de actiefste gebruikers van sociale media van de wereld behoren?

    10. Radio-omroepen

      De AVRO, VARA, NCRV, KRO en VPRO zijn omroepen waar je vast wel eens van gehoord hebt. Ze hebben alle vijf de R van Radio in hun naam. Deze vijf omroepen bestonden al toen de televisie nog niet uitgevonden was. De eerste radio-uitzending in Nederland was in 1919. Twintig jaar later had bijna iedereen een radio in huis.

      In die tijd was Nederland verdeeld in groepen, die 'zuilen' werden genoemd. Elke zuil stemde op zijn eigen politieke partij en luisterde naar zijn eigen omroep: socialisten naar de VARA, katholieken naar de KRO en protestanten naar de NCRV of de VPRO. Het was voor katholieken in die tijd zelfs verboden om naar de VARA te luisteren. Als je dat toch deed kwam meneer pastoor op bezoek om je te waarschuwen.

      Vanaf 1970 kwam er een einde aan deze periode van 'verzuiling'. Nu luistert en kijkt iedereen gewoon naar de programma's die hij leuk of boeiend vindt, zonder zich druk te maken over de omroep die ze uitzendt.

    11. Testbeeld

      Dit kleurrijke beeld is een testbeeld. Aan het testbeeld kon je zien of je de kleuren van je tv goed had ingesteld. Je zag het vroeger vaak op het scherm als er geen programma's werden uitgezonden. Tegenwoordig zenden bijna alle televisiezenders 24 uur per dag uit en zie je het testbeeld dus bijna nooit meer.

Vensterplaten

vanaf ca. 1880

Haven van Rotterdam

Poort naar de wereld

    1. Een dam in de Rotte

      Rond 1250 wordt in het riviertje de Rotte een dam gelegd. Er ontstaat daar een vissersdorpje: Rotterdam. De dam blijkt een handige plek om goederen van zeeschepen over te laden op kleinere rivierbootjes. Dit is het begin van de Rotterdamse haven. Op het kaartje zie je hoe Rotterdam er rond 1340 moet hebben uitgezien.

      Eeuwenlang is de haven van Rotterdam een bloeiende haven. Maar echt groot wordt hij niet. De route van zee naar Rotterdam is verraderlijk. Er liggen grote zandbanken, waardoor het voor de schepen moeilijk is de haven van Rotterdam veilig te bereiken en niet op zo'n zandbank te stranden. Daarom wijken schepen liever uit naar andere havens, zoals die van Amsterdam en Middelburg. Maar dit verandert allemaal na 1880 met de aanleg van de Nieuwe Waterweg. Daarna groeit de haven van Rotterdam explosief.

    2. De grootste haven van Europa

      De haven van Rotterdam is de grootste van Europa, met een oppervlak van ruim 100 vierkante kilometer! Het is bijna niet voor te stellen dat het ooit als klein vissershaventje begonnen is. Schepen vanuit de hele wereld leggen hier aan om hun goederen te laden en te lossen. Sommige van die schepen zijn wel meer dan drie voetbalvelden groot!

      Rotterdam ligt aan de Noordzee in de delta van grote Europese rivieren. De haven is voor grote zeeschepen bereikbaar. In het 'achterland' van de haven (onder meer Duitsland) wonen op een dag rijden wel honderd miljoen mensen. Daarom is Rotterdam zo'n goede plek voor de belangrijkste haven van Europa.

      In de Rotterdamse haven werken wel tachtigduizend mensen en er wordt voor ongeveer zes miljard euro per jaar verdiend. De haven zelf is groter dan heel de gemeente Utrecht en er ligt 1500 kilometer aan pijpleidingen. Ook wordt er in de haven een heleboel olie opgeslagen: ongeveer achtentwintig miljard liter olie.

    3. De Nieuwe Waterweg

      Tussen 1866 en 1872 wordt er een betere verbinding gemaakt tussen de zee en de haven van Rotterdam: De Nieuwe Waterweg, een breed kanaal dat dwars door de duinen naar Rotterdam loopt. Vanaf dat moment is de haven van Rotterdam goed bereikbaar voor grote zeeschepen en kan de haven verder groeien.

      Lange tijd is de route naar Rotterdam lang en verraderlijk. Daarom wijken schepen liever uit naar andere havens. De haven van Rotterdam kan alleen doorgroeien als de haven goed bereikbaar is voor de zeeschepen, die steeds groter en moderner worden.

      Daarom worden onder leiding van ingenieur Pieter Caland de duinen bij Hoek van Holland doorgebroken. Er wordt een diep en breed kanaal aangelegd: de Nieuwe Waterweg. Zes jaar lang wordt er met man en macht aan gewerkt. In 1872 is de Nieuwe Waterweg klaar en is de haven van Rotterdam eindelijk goed bereikbaar.

      Speciaal voor de enorme en zwaar beladen zeeschepen, is naast de Nieuwe Waterweg nog het Calandkanaal gegraven.

    4. IJzererts en steenkool

      Vanaf 1880 groeit de industrie in het Duitse Ruhrgebied enorm. Er is veel ijzererts en steenkool nodig om de fabrieken te laten draaien. Hoe worden die belangrijke grondstoffen aangevoerd? Juist: via de haven van Rotterdam. De Rotterdamse haven wordt dus een belangrijke 'overslaghaven' voor de aanvoer van ijzererts en steenkool.

    5. IJzererts in de Rotterdamse haven

      IJzererts is nog steeds van groot belang voor de Rotterdamse haven. De zeeschepen zijn veel te groot voor onze rivieren. Daarom lossen ze hun lading in de haven. Via de kranen en de lopende band, wordt de ijzererts overgeslagen naar de kleinere binnenvaartschepen: de duwbakken.

    6. Aardolie in de haven van Rotterdam

      In de haven van Rotterdam zie je overal grote opslagtanks. In de meeste daarvan zit olie. De olie komt naar Rotterdam in gigantisch grote schepen: mammoettankers. In de haven van Rotterdam worden ze gelost. Via pijpleidingen worden miljarden liters olie naar de opslagtanks gepompt.

      Nederland heeft maar een beetje aardolie in de bodem, lang niet genoeg voor alle Nederlanders. Daarom wordt uit verschillende gebieden in de wereld aardolie naar Nederland gebracht. Bijvoorbeeld uit Nigeria, Saoedi-Arabië, Rusland en Iran. De olie komt met mammoettankers naar Rotterdam. Dat zijn echt enorm grote schepen.

      De mammoettanker zelf is zo groot als ruim drie voetbalvelden achter elkaar. Door de enorme hoeveelheid olie in de tanker ligt het schip wel twintig meter diep. Dat is ongeveer zo diep als een flat die zeven verdiepingen hoog is. Het schip kan daarom alleen binnenvaren als het hoog water (vloed) is.

      Het binnenvaren in de haven van Rotterdam is nog niet zo makkelijk. Er komt heel wat bij kijken. Er moet een loods aan boord van het schip komen, een soort tijdelijke kapitein die precies weet waar je moet varen. Hij loodst het schip vanaf open zee de haven in. Daarbij worden ook sleepboten gebruikt om het schip heel precies de haven binnen te sturen.

      Het besturen van zo'n ontzettend groot schip is dus erg lastig en een heel precies werkje. Voordat de tanker op de juiste plaats in de haven ligt is er al heel wat tijd verstreken.

    7. Olieraffinaderij

      In de haven van Rotterdam wordt er veel geld verdiend aan de opslag en de verwerking van aardolie. De aardolie wordt verwerkt in speciale fabrieken, zoals op deze foto. Deze fabrieken noemen we olieraffinaderijen.

      In een olieraffinaderij wordt de aardolie gezuiverd en opgesplitst in verschillende stoffen. Op die manier ontstaan de brandstoffen die we voor auto's, vrachtwagens en vliegtuigen gebruiken. Maar er ontstaan ook stoffen die gebruikt worden in de 'petrochemische industrie'. Die maakt er grondstoffen voor onder meer plastic, autobanden en zelfs wasmiddel van.

      Aardolie is dus onmisbaar geworden!

    8. Containers

      Vanaf 1966 worden containers steeds belangrijker: grote waterdichte metalen kisten met standaard afmetingen. Dus elke container is even groot. Dat is handig, want je kunt ze goed stapelen, terwijl het niet maakt uitmaakt wat erin zit. Je tilt de containers zo van het schip op een goederentrein of vrachtwagen. De container past altijd.

    9. De tweede Maasvlakte

      Op de foto zie je een baggerschip dat bezig is met het aanleggen van de Tweede Maasvlakte. Het zand, dat van de zeebodem is gehaald, wordt hier neergespoten. Zo wordt van water land gemaakt. Die extra ruimte is nodig omdat de haven van Rotterdam steeds meer ruimte nodig heeft.

      De eerste Maasvlakte is aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw aangelegd. Containers worden dan belangrijk voor de haven van Rotterdam. Maar al snel is er geen ruimte om al die containers op te slaan. Daarom wordt een groot gebied in zee drooggelegd. Op deze Maasvlakte kunnen de containers worden opgeslagen.

      Vanaf de haven van Rotterdam worden goederen naar miljoenen mensen in Duitsland, België en Engeland gebracht. Maar ook naar andere landen in Europa. De haven van Rotterdam moet blijven groeien om al die handel te kunnen blijven verwerken.

      Daarom is op 1 september 2008 begonnen met de uitbreiding van de Maasvlakte. Eind 2013 wordt deze 'Tweede Maasvlakte' voltooid en in gebruik genomen.

    10. De Betuweroute

      Het is belangrijk voor Nederland dat de haven van Rotterdam een wereldhaven blijft. De regering doet er dus veel voor om de haven goed bereikbaar te houden. Daarom is onlangs de Betuweroute aangelegd. Dat is een nieuwe goederenspoorlijn van de Maasvlakte naar Duitsland, 160 kilometer lang. Er rijden per week wel 350 goederentreinen overheen.

    11. De skyline van Rotterdam

      In 1940 is Rotterdam door de Duitsers gebombardeerd. De oude binnenstad werd bijna helemaal verwoest. Na de oorlog koos Rotterdam ervoor om een nieuwe, moderne stad op te bouwen, met een bijzondere 'skyline': hoge gebouwen die je tegen de lucht ziet afsteken. De Euromast en de Erasmusbrug ('de Zwaan') zijn de bekendste voorbeelden.

Vensterplaten

1911-1995

Annie M.G. Schmidt

Lekker stout in een keurig land

    1. Annie M.G. Schmidt

      Je kent Annie M.G. Schmidt vast wel. Ze schreef Pluk van de Petteflet, Minoes, Abeltje en nog veel meer kinderboeken. Maar wist je dat ze ook dichter was? Dat ze toneelstukken schreef en musicals, teksten voor liedjes en televisieprogramma's? Annie M.G. Schmidt is van ons allemaal. Van jong tot oud!

    2. Tegendraads

      Doe nooit wat je moeder zegt,
      dan komt het allemaal terecht.

      Deze woorden passen helemaal bij Annie M.G. Schmidt. Je ziet meteen dat ze een beetje dwars was. Ze zei dingen die eigenlijk niet mochten, die ondeugend waren, maar wel heel leuk.

      Met haar ondeugende en dwarse teksten leverde Annie M.G. Schmidt op een grappige, vriendelijke manier kritiek op het brave, nette Nederland, waar iedereen graag bij een groepje hoort. Maar ze deed het wel zo dat iedereen over haar kritiek nadacht.

      Nederland was na de Tweede Wereldoorlog best een keurig landje. Op zondag ging je naar de kerk. Je vader werkte en je moeder was huisvrouw. Als kind moest je u zeggen tegen je ouders en braaf en gehoorzaam zijn.

      Maar Annie hield helemaal niet van "hoe het hoort". Bij haar zijn de kinderen helemaal niet braaf en keurig, maar eigenwijs en stout. Ze schreef helemaal vanuit de beleving van het kind. Dat was nieuw voor die tijd.

    3. Werken bij het Parool

      Annie M.G. Schmidt wilde niets liever dan schrijfster worden. Die wens kwam uit toen ze ging werken bij de krant Het Parool. Ze was toen vijfendertig jaar. Voor deze krant schreef ze bijna vijf jaar lang elke dag een klein verhaaltje over Jip en Janneke. In 1952 verscheen hun allereerste verhaaltje in de krant.

      Eigenlijk was Annie aangenomen om het archief bij Het Parool op te zetten. Dat betekent dat het haar taak was om alle belangrijke papieren van de krant goed op te bergen. Dat moest Annie wel kunnen. Ze had immers geleerd voor bibliothecaresse. Maar het ging helemaal niet goed. Annie was namelijk, zoals ze zelf zei, het slordigste mens dat op aarde rond liep.

      Het was de mensen van de krant wel opgevallen dat Annie goed kon schrijven en dichten. Ze werd gevraagd om eens wat versjes en verhaaltjes te gaan schrijven voor de kinderpagina van de krant. Dat deed ze erg goed. Kinderen vonden het prachtig! Daarom ging Annie steeds vaker voor de krant schrijven. Samen met tekenaar Fiep Westendorp bedacht en maakte ze Jip en Janneke.

      En daar bleef het niet bij. Annie maakte nog veel meer boeken, versjes en liedjes voor kinderen. Tegen het einde van de jaren vijftig van de vorige eeuw, was Annie een van de populairste schrijvers voor kinderen geworden.

    4. Jip en Janneke

      Dit zijn de beroemdste kleuters van Nederland: Jip en Janneke. Annie M.G. Schmidt bedacht de verhaaltjes over dit tweetal samen met tekenaar Fiep Westendorp. In Zaltbommel, de plaats waar Fiep Westendorp geboren is, kun je dit beeld van Jip en Janneke bewonderen. Het beeld is gemaakt door Ton Koops.

      Jip en Janneke wonen naast elkaar en zijn vrienden. Samen met hond Takkie en poes Siepie maken ze van alles mee.

      Wist je dat Annie vaak maar een paar minuten nodig had om de verhaaltjes over Jip en Janneke te schrijven? Daarna maakte Fiep Westendorp, die net als Annie ook bij de krant Het Parool werkte, er tekeningen bij.

      Later werden de verhaaltjes gebundeld in boekjes. Die zijn nog steeds erg populair. Ook in het buitenland. Misschien heb jij er wel een bij jou thuis of op school in de kast staan.

    5. Flip van Duijn

      Annie M.G. Schmidt kreeg in haar leven één zoontje: Flip. Flip werd geboren in 1952. Wist je dat veel van de verhaaltjes over Jip en Janneke zijn gebaseerd op avonturen die Flip en zijn buurmeisje echt hadden meegemaakt?

      De vader van Flip was Dick van Duijn. Annie en Dick waren niet getrouwd. Dick was al met een andere vrouw getrouwd. Van die vrouw is hij nooit gescheiden.

      Toch woonden Annie, Dick en Flip samen in een huis. Dat was wat in die tijd: samenwonen met een getrouwde man en daar ook nog een kind mee krijgen! Veel mensen vonden het een schande. Het was eigenlijk typisch iets voor Annie.

    6. Hoorspelen

      In de jaren vijftig had nog bijna niemand een televisie. De mensen luisterden veel naar de radio. Daarop werd vaak een hoorspel uitgezonden. Een hoorspel is een toneelstuk dat je niet kunt zien, maar alleen horen. Annie schreef voor de radio het hoorspel De familie Doorsnee. Iedereen luisterde ernaar!

    7. Ja zuster, nee zuster

      De liedjes, de musicals en de tv-series van Annie zijn al jaren razend populair, maar als haar televisieserie Ja zuster, nee zuster over het rare huis van zuster Klivia op tv is kun je op straat een speld horen vallen. Bijna iedereen zit voor de buis en kan de liedjes meezingen.

      De eerste serie die Annie voor televisie schreef was Pension Hommeles. Op 10 oktober 1957 was de serie voor de eerste keer op de televisie te zien.

      Later volgde de televisieserie Ja zuster, nee zuster. Met die serie werd Annie M.G. Schmidt 'wereldberoemd in Nederland'. Bijna iedereen heeft van Ja zuster, nee zuster gehoord. Volwassenen kennen het van vroeger, jij misschien wel van de film uit 2002 of dvd.

    8. Versjes

      Net als iedere dichter is Annie ooit begonnen met een klein eenvoudig versje. Wist je dat het allereerste gedichtje dat Annie schreef, bewaard is gebleven? Ze was pas 4 jaar oud toen ze het maakte! Het gaat zo:
      'Er was eens een hond, die zat op zijn kont.
      Er was eens een kat, die zat op zijn gat.'

      Annie kon al vroeg lezen en schrijven. Ze was er dol op. Als kind al wilde Annie het allerliefste schrijfster van gedichtjes worden. Toen Annie veertien jaar was, stuurde ze haar versjes naar een bekende dichter. Die vond dat Annie veel talent had. Ze moest schrijfster worden.

      Toch zou het nog duren totdat Annie vijfendertig jaar was voordat haar droom werkelijkheid werd. Maar toen ging het ook ineens heel snel. Ze werd al heel gauw razend populair met haar gedichtjes, verhaaltjes en teksten.

    9. Altijd acht gebleven...

      In de boeken van Annie M.G. Schmidt zijn de kinderen vaak de baas en veel volwassenen zijn rotzakken. Volgens Annie moet je niet opgroeien of volwassen worden. Je kunt beter kind blijven. Zelf zei Annie hierover 'Eigenlijk ben ik in mijn hart altijd acht jaar oud gebleven.'

    10. Veelschrijfster

      Annie M.G. Schmidt heeft met haar werk het hart van heel veel kinderen en volwassenen geraakt. Alleen al van de Jip en Janneke-boeken zijn er miljoenen verkocht. Haar werk is over heel de wereld vertaald. Wist je dat Jip en Janneke in het Chinees Yiyi en Yaya heten?

      Het is moeilijk om te zeggen wat nou zo goed is aan het werk van Annie. Ze schrijft in ieder geval heel fantasievol en het is ook heel grappig. Bovendien is het niet alleen voor kinderen heel leuk, maar ook voor grote mensen. Ze schrijft dus niet alleen specifiek voor kinderen, maar voor iedereen.

      Annie is zo beroemd dat haar uitgever haar 'de echte koningin van Nederland' noemde. Eén keer heeft hij haar boeken laten signeren in Amsterdam. Dat mocht daarna nooit meer, want half Amsterdam zat verstopt met mensen die haar handtekening wilden hebben.

      Het geheim van haar succes? Annie zegt hier zelf over: "De leeftijd die ik zelf altijd gehouden heb, is acht. En ik schrijf toch eigenlijk voor mezelf. Ik denk dat het dat is. Ik ben acht."

    11. Fiep Westendorp

      Dit is de Krullevaar uit Pluk van de Petteflet. Deze 'uitgestorven vogel' is door Annie M.G. Schmidt verzonnen. Maar Fiep Westendorp bedacht hoe de vogel eruit moest zien. Zij maakte heel vaak de tekeningen bij de verhaaltjes en versjes van Annie. Deze samenwerking begon met Jip en Janneke, maar Fiep illustreerde bijvoorbeeld ook Pluk.

      Fiep Westendorp werd geboren in 1916 in Zaltbommel. Ze heeft een opleiding gevolgd aan de Tekenacademie in 's-Hertogenbosch en de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam.

      Vanaf het moment dat ze haar diploma had, verschenen er tekeningen van haar in kranten, tijdschriften en boeken.

      Fiep overleed in 2004. Ze was toen 87 jaar. Haar tekeningen zijn nog altijd wereldberoemd.

    12. Prijzen

      Annie M.G. Schmidt heeft veel prijzen gekregen voor haar versjes, verhalen en teksten. Op deze foto zie je de uitreiking van de Gouden Griffel in 1981. In 1998 kreeg ze zelfs de Hans Christian Andersen-award! Dat is de belangrijkste prijs die een schrijver van kinderboeken kan krijgen.

Vensterplaten

vanaf 1945

Suriname en de Nederlandse Antillen

De koloniën worden zelfstandig

Vensterplaten

1995

Srebrenica

Een mislukte vredesmissie

    1. Burgeroorlog in Bosnië-Herzegovina

      In het vroegere Joegoslavië in Midden-Europa woonden verschillende volken samen in één land. In 1990 valt het land uit elkaar omdat de volken niet meer samen willen leven. Vanaf 1991 ontstaan er burgeroorlogen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Ook in Bosnië-Herzegovina.

      Er zijn veel verschillen tussen de bevolkingsgroepen in Joegoslavië. Sommigen zijn moslim, anderen christen. Sommigen voelen zich Serviër, anderen Bosniër of Kroaat. Ook spreken ze verschillende talen.

      President Tito weet er lange tijd voor te zorgen dat Joegoslavië ondanks alle verschillen een eenheid blijft. Als hij sterft wordt het steeds onrustiger in het land. De verschillende volken willen land voor zichzelf, waar alleen hun volk leeft. Joegoslavië begint uit elkaar te vallen. Er ontstaan verschillende landen, meestal op een bloedige manier.

      Eén van de landen waar oorlog wordt gevoerd is Bosnië-Herzegovina. Hier wonen Bosniërs en Serviërs. De Bosniërs zijn moslim, terwijl de Serviërs christen zijn. De Serviërs willen een groot stuk land voor zichzelf, zonder Bosniërs. De Bosniërs verzetten zich hiertegen.

    2. Nederlanders op vredesmissie

      De oorlog in Bosnië-Herzegovina wordt steeds erger. De Verenigde Naties proberen de oorlog te beëindigen door speciale soldaten ('blauwhelmen') op 'vredesmissie' te sturen. Nederland is één van de landen die gaan helpen. De Nederlandse blauwhelmen krijgen een legerbasis bij het Bosnische stadje Srebrenica.

      De Nederlandse soldaten krijgen de codenaam 'Dutchbat'. Dutchbat mag niet zelf vechten, maar moet in de gaten houden dat de Serviërs de Bosniërs niet aanvallen. Hierdoor hebben de Dutchbat-soldaten alleen lichte wapens, en maar 10 kogels per persoon. Ze kunnen dan ook niet op tegen het leger van de Serviërs.

      Na de oorlog komt er veel kritiek op de vredesmissie. Veel mensen denken dat de ramp in Srebrenica voorkomen had kunnen worden als Dutchbat meer wapens had gehad en wel tegen de Serviërs had mogen vechten.

      Er komt een groot onderzoek naar de vredesmissie. Het Nederlandse kabinet onder leiding van minister-president Kok voelt zich verantwoordelijk, en treedt af. De ramp in Srebrenica is een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis. De regering is voorzichtiger geworden in het uitvoeren van vredesmissies.

    3. Generaal Ratko Mladić

      In de oorlog in Bosnië-Herzegovina stonden het Bosnische en het Servische leger tegenover elkaar. Generaal Ratko Mladić leidde het Servische leger. Mladić wordt verantwoordelijk gehouden voor de aanval op Srebrenica. Al voor deze aanval werkte hij mee aan het vermoorden van grote groepen Bosnische moslims.

      Mladić wil niet gestraft worden voor zijn daden en probeert zijn straf te ontlopen. Pas op 26 mei 2011, zestien jaar na de aanval op Srebrenica, wordt hij opgepakt in het huis van een familielid. In Den Haag wordt er een rechtszaak tegen hem gevoerd door een speciale rechtbank. Hier worden ook andere mensen berecht die een rol hadden in de oorlog in Bosnië-Herzegovina.

      Eén van die mensen is een officier uit het Bosnische leger, Naser Orić. Tijdens de oorlog in Bosnië-Herzegovina had Orić de leiding over een deel van het Bosnische leger bij Srebrenica. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor het aanvallen van Servische dorpen. Bij deze aanvallen werden gebouwen in brand gestoken en de Servische inwoners vermoord. Het zijn dus niet alleen de Serviërs geweest, die wreedheden hebben begaan. Zoals in bijna elke oorlog ligt het ingewikkelder.

    4. De Nederlandse legerbasis

      De legerbasis van de Nederlandse Dutchbat-soldaten is het terrein van een oude accufabriek bij Srebrenica. Wanneer de Serviërs steeds dichterbij komen, vluchten er grote groepen Bosniërs naar de Nederlandse basis. Hier hopen ze veilig te zijn voor de Serviërs. Maar lang niet iedereen kan in de oude fabriek slapen.

      De Nederlandse soldaten besluiten dat bejaarden, zieken en kinderen voorrang krijgen. De rest moet buiten blijven. Op een gegeven moment zijn er wel 40.000 mensen op het kleine terrein. De legerbasis raakt overvol.

      Helaas wordt ook de legerbasis van de Nederlandse soldaten aangevallen door de Serviërs. De Nederlanders krijgen van de legerleiding van de Verenigde Naties geen toestemming om zich met hun wapens te verdedigen. Ook een verzoek om de Nederlandse legerbasis met vliegtuigen ('luchtsteun') te komen verdedigen, wordt door de VN afgewezen.

      De Nederlandse soldaten kunnen dus niets anders dan doen wat de Serviërs zeggen. De Serviërs bepalen wat er gaat gebeuren en de Nederlandse soldaten staan machteloos.

    5. Vluchten naar de bergen

      In Srebrenica worden de Bosniërs beschermd door de Nederlandse soldaten. Maar als het Servische leger steeds dichterbij komt, vluchten zo'n 15.000 Bosniërs de bergen in, op zoek naar veiligheid. De helft hiervan wordt alsnog vermoord door de Serviërs, die de Bosniërs de bergen in volgen.

    6. Scheiden van mannen en vrouwen

      Op 11 juli 1995 valt het Servische leger de Nederlandse legerbasis bij Srebrenica binnen. De Bosnische vluchtelingen en de Nederlandse soldaten worden ingesloten. De Serviërs willen dat alle mannen en jongens worden gescheiden van de vrouwen, kleine kinderen en bejaarden. Er worden bussen uit Srebrenica gehaald om ze te kunnen wegvoeren.

      De Nederlandse soldaten worden gedwongen de Servische soldaten te helpen bij het selecteren van de mensen. De vrouwen, kleine kinderen en bejaarden moeten in de bussen gaan zitten. De mannen en jongens blijven achter.

      Behalve de Serviërs weet op dat moment nog niemand wat er precies zal gaan gebeuren. Later worden ook de mannen en jongens in bussen weggevoerd. Op een andere plek worden zij vermoord. Bijna 8000 Bosnische jongens en mannen komen om het leven.

    7. Genocide in Bosnië-Herzegovina

      Dit is een monument voor de slachtoffers van de aanval op Srebrenica. Op het monument zijn de namen van de slachtoffers van de oorlog te lezen. Op de achtergrond zie je de begraafplaats. De moord op de Bosnische mannen in Srebrenica wordt 'genocide' genoemd.

      Genocide is het woord voor het vermoorden van grote groepen mensen om hun geloof en/of hun afkomst. Vaak is er van tevoren een plan gemaakt, maar na afloop wordt dat door de daders meestal ontkend.

      In juli 1995 werden in Srebrenica bijna 8000 Bosnische moslimmannen- en jongens weggevoerd. Ze worden naar verschillende plekken gebracht langs de rivier de Drina. Veel slachtoffers worden geblinddoekt. Soms worden ook hun handen en voeten vastgebonden. Daarna worden ze vermoord.

      De Serviërs proberen de slachtoffers te verstoppen door ze in grote massagraven bij elkaar te leggen. Hierdoor is het na de oorlog moeilijk om de mensen terug te vinden en te ontdekken wie ze waren. Nog steeds worden er graven gevonden van jongens en mannen die werden vermoord in de oorlog in Bosnië-Herzegovina. 

    8. Ook voor Dutchbat een ramp

      De genocide in Srebrenica is in de eerste plaats verschrikkelijk voor alle vrouwen en kinderen die hun mannen, vaders, zoons en broers moeten missen. Maar ook voor de soldaten van Dutchbat is het een ramp. Zij waren machteloos toen er veiligheid van hen verwacht werd. Veel ex-soldaten kunnen daar nog steeds niet van slapen.

      Het waren vaak jonge mannen die als Dutchbat-soldaat naar Srebrenica moesten. In het begin probeerden ze er het beste van te maken. Ze sloten vaak vriendschap met de Bosnische bevolking en met de kinderen.

      Maar toen het erop aan kwam, konden ze de Bosniërs niet verdedigen tegen het Servische leger. Dat geeft een verdrietig, boos en machteloos gevoel, waar sommige soldaten de rest van hun leven last van blijven houden. Het woord daarvoor is 'oorlogstrauma'.

Vensterplaten

vanaf 1945

Veelkleurig Nederland

De multiculturele maatschappij

    1. Veelkleurig Nederland

      Nederland is na de Tweede Wereldoorlog een heel kleurrijk land geworden: er wonen tegenwoordig mensen met allerlei huidskleuren. Op het platteland is dat vaak nog wat minder dan in de stad, maar veelkleurig is Nederland inmiddels tot in de uithoeken. Hoe is dat zo gekomen?

      Nederland is een land met een heleboel verschillende culturen. Dat noem je een multiculturele samenleving (multi betekent 'veel'). Er wonen in ons land mensen uit maar liefst 190 verschillende landen. Al deze mensen hebben hun eigen eten, kleding, gewoonten, feesten en godsdiensten. Er wordt in ons land veel gepraat over deze multiculturele samenleving: in de politiek, maar ook door de mensen op straat.

    2. Suriname en de Nederlandse Antillen

      Op deze foto zie je prinses Beatrix toen ze nog veel jonger was. Het is een foto uit 1975. De mensen om haar heen zijn Surinamers. Ze zijn erg blij omdat ze vieren dat hun land onafhankelijk is geworden. het hoort niet langer bij het Nederlandse koninkrijk. 

      Suriname was vroeger een kolonie van Nederland. Maar in 1975 wordt het land onafhankelijk. Het was een spannende tijd. In Suriname wonen veel verschillende volken, en de mensen wisten niet hoe de onafhankelijkheid zou verlopen. Ze waren onzeker over de toekomst van hun land. En veel mensen vonden het ook moeilijk dat ze moesten kiezen tussen Surinamer of Nederlander zijn. Door dit alles vertrokken rond 1975 meer dan 130.000 Surinamers naar Nederland.

      Ook de Nederlandse Antillen en Aruba waren vroeger een kolonie van Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog kregen ze steeds meer zelfstandigheid. Toen zijn er ook veel mensen uit deze landen naar Nederland gekomen, om er te wonen en te werken. 

    3. Gastarbeiders

      In Nederland wonen veel Turken en Marokkanen. De eerste Turkse en Marokkaanse mannen kwamen tussen 1950 en 1960 naar Nederland om hier te werken. We noemen hen gastarbeiders. Later kwamen ook hun vrouwen en kinderen naar Nederland.

      Rond 1950 en 1960 ging het heel goed met Nederland. De Tweede Wereldoorlog was voorbij, de economie begon weer te bloeien en er was veel werk. Er was eigenlijk té veel werk! Er waren extra mensen nodig om al dat werk te kunnen doen. Daarom werden er mensen gehaald uit landen waar weinig werk was: de landen rond de Middellandse Zee. Dat zijn bijvoorbeeld Turkije en Marokko, maar ook Griekenland, Italië en Spanje. Deze mensen waren voor een tijdje te gast in Nederland om te werken. Daarom heten ze gastarbeiders. Als het werk klaar was, zouden ze weer vertrekken.
      In 1970 kwam er minder werk. Maar toen waren de gastarbeiders al tien jaar in Nederland, en soms nog langer. Ze waren hier helemaal gewend. En in hun eigen land was er nog minder werk. Daarom bleven ze in hier. Ze lieten hun vrouw en kinderen ook naar Nederland komen. Dat noemen we gezinshereniging.

    4. Vluchtelingen

      Vanaf 1980 komen er veel vluchtelingen uit de hele wereld naar Nederland. Ook nu nog. Ze vluchten weg uit hun eigen land, omdat daar oorlog of honger is. We noemen hen ook wel asielzoekers. Als je naar een ander land vlucht, vraag je daar asiel aan. Dat betekent dat je vraagt om bescherming, hulp en een eigen plekje in het nieuwe land.

    5. Multicultureel eten

      Hoe vaak eet jij nog aardappelen met groente en vlees? Waarschijnlijk geen zeven dagen per week! In Nederland zijn we al helemaal gewend om shoarma, rijst of pasta te eten. We kennen al die verschillende soorten eten door al die verschillende soorten mensen die hier zijn komen wonen. Zij hebben allemaal hun eigen eten meegenomen.

      Pasta komt uit Italië, rijst uit Indonesië en döner kebab uit Turkije bijvoorbeeld. We kunnen dat in restaurants eten, maar het ligt ook gewoon in de supermarkt. In Nederland hebben we al die buitenlandse gerechten wel een beetje aangepast aan onze eigen smaak. Nederlandse nasi is veel minder scherp dan echte Indonesische nasi! En wist je dat heel vroeger, toen pasta hier nog maar net bestond, mensen pasta aten als toetje? Ze lieten het héél lang koken en deden er dan nog suiker bij! Soms ontstaat er een nieuw gerecht door Nederlands en buitenlands eten bij elkaar te doen. Heb je wel eens een patatje kapsalon op? Dat is patat met shoarma, kaas en sla!

    6. Inburgeren

      Voordat nieuwe Nederlanders zich echt Nederlander mogen noemen, moeten ze 'inburgeren'. Dat betekent dat ze de Nederlandse taal moeten leren, maar ook hoe we hier met elkaar leven en welke dingen hier belangrijk zijn.

      Inburgeren is sinds 2007 verplicht in Nederland. Dat doe je onder meer door het volgen van een inburgeringscursus. Je leert op deze cursus als eerste de Nederlandse taal. Je moet namelijk Nederlands kunnen lezen en schrijven, maar ook kunnen spreken en verstaan. Dat is belangrijk, want anders kun je niet echt meedoen in Nederland. Je kunt dan geen brood bestellen bij de bakker bijvoorbeeld, of een praatje maken met de buren. En je kunt dan ook niet goed werken.
      Inburgeren betekent ook dat je weet hoe de dingen gaan in Nederland. Dat je niet mag bellen in de auto, bijvoorbeeld. En dat je 112 moet bellen als er een ongeluk is gebeurd. Of dat je op het gemeentehuis moet komen vertellen als je een kindje hebt gekregen. Aangifte doen, noemen we dat.
      Aan het eind van de inburgeringscursus moet je examen doen. Als je dat haalt, krijg je een verblijfsvergunning. Dan heb je officieel toestemming om in Nederland te blijven. Maar als je zakt, krijg je een boete. En je krijgt voor een korte tijd een verblijfsvergunning, bijvoorbeeld maar voor één jaar. In die tijd moet je het inburgeringsexamen nog een keer doen.

    7. Tulpen

      Tulpen zijn echt Nederlands. Dacht je dat? Toeristen denken dat ook. Ze kopen zelfs plastic nep-tulpen om mee naar huis te nemen. Maar die echte Nederlandse tulpen komen helemaal niet uit Nederland! Ze zijn heel lang geleden uit Turkije gekomen.

      Al heel lang heeft Nederland contacten met andere culturen. Dat kwam door de handel. Nederland handelde met veel verre landen. Nederlandse kooplieden voeren er met een boot naartoe en namen allerlei dure en mooie spullen mee terug. Tulpen uit Turkije bijvoorbeeld! Maar ook peper, kaneel en thee uit Indonesië. Dat werd voor veel geld in Nederland verkocht. Er is een tijd geweest dat een tulpenbol bijna net zoveel kostte als een huis!
      Dat er mensen uit andere landen in Nederland komen wonen, is ook niks nieuws. Al in de zeventiende en achttiende eeuw kwamen er veel vluchtelingen uit Frankrijk en het zuiden van Nederland (wat nu België is) naar Nederland. Hier was veel werk, en mensen mochten hier denken en geloven wat ze wilden.
      Maar er zijn ook Nederlanders in andere landen gaan wonen. Tussen 1800 en 1950 bijvoorbeeld. Toen zijn veel mensen met de boot naar Amerika vertrokken en daar blijven wonen.

    8. Nederlands-Indië wordt Indonesië

      Op 17 augustus 1945 liet Indonesië de wereld weten, dat Nederlands-Indië geen kolonie meer van Nederland was en voortaan Indonesië heette.

      Na de onafhankelijkheid van Indonesië kwamen veel mensen naar Nederland. Ze konden of wilden niet langer in Indonesië of op de Molukse eilanden wonen. Mensen bijvoorbeeld die in het Nederlandse leger hadden gezeten of van wie een van de ouders Nederlander was. Ze voelden zich niet langer veilig of prettig in Indonesië.

Vensterplaten

1959-2030

De gasbel

Het energievraagstuk

    1. De gasbel van Slochteren

      In 1959 werd er een schat gevonden in Slochteren, een plaats in Groningen: aardgas! Onder het land van boer Boon zat een grote bel met aardgas. Het was de grootste gasbel die toen bekend was!

      Nadat de gasbel gevonden was, zijn er in Nederland veel dingen veranderd. Het gas werd uit de grond gehaald. Dat noemen we 'gas winnen'. En door het hele land zijn gasleidingen gelegd. Daar zijn alle huizen op aangesloten. Zo kan iedereen in huis het gas gebruiken.
      En Nederland verkoopt gas aan het buitenland. Daar verdienen we veel geld mee. Want aardgas is duur. De prijs van aardgas is gekoppeld aan de prijs van aardolie (waar onder meer benzine van gemaakt wordt). Als de aardolie goedkoper wordt, wordt het gas ook goedkoper. Maar als de aardolie duurder wordt, wordt het aardgas ook duurder! En aardolie is heel duur, want het raakt op. Er is nog maar heel weinig van. Omdat de aardolie zo duur is, is aardgas ook duur.
      Nederland krijgt veel geld door aardgas te verkopen. Dat geld noemen we 'aardgasbaten'. Aardgas is één van de redenen dat Nederland een rijk land is geworden, waar niemand meer echt arm hoeft te zijn. Ook zijn met de aardgasbaten veel wegen aangelegd.

    2. Waar wordt gas voor gebruikt?

      Hoe wordt het water uit de kraan thuis eigenlijk warm? En hoe komt het dat de verwarming warm wordt? En waar komt de elektriciteit voor de lamp en de tv vandaan? Voor al die dingen wordt aardgas gebruikt.

      De meeste huizen in Nederland zijn aangesloten op buizen waar aardgas doorheen stroomt. Als dat gas het huis binnen komt, gaat het eerst langs een meter die meet hoeveel gas er gebruikt wordt. Vervolgens gaan er gasleidingen naar de gasketel van het huis, waarin aardgas wordt verbrand. De hitte van dat vuur maakt het water warm. Met dat warme water kun jij douchen of afwassen, en ook stroomt het door de radiatoren van de centrale verwarming. Een ander deel van het aardgas gaat naar het gasfornuis, om op te koken. En de elektriciteit in huis komt eigenlijk ook van aardgas! Veel elektriciteitscentrales gebruiken aardgas om energie mee te maken. Die elektriciteit komt uit het stopcontact. Daar kun jij de lamp mee aandoen!

    3. Wat is aardgas?

      Aardgas zit diep in de grond, wel drie kilometer diep! We zeggen wel dat het in een gasbel zit, maar eigenlijk zit het gas tussen de zandkorreltjes in de grond. Je kunt het er alleen uit halen met een speciale boor. Maar hoe is het aardgas daar eigenlijk gekomen?

    4. Hoe wordt aardgas gewonnen?

      Aardgas zit ongeveer drie kilometer diep onder de grond. Daar kun je niet zomaar even naartoe graven. Hoe wordt het gas dan naar boven gehaald? In Nederland zorgt de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) daarvoor.

      Als er ergens gas in de grond zit, bouwt de NAM er een boortoren boven. Vanuit die toren worden lange buizen de grond in gedraaid. Die buizen heten boorbuizen. Vooraan zit een boorkop. Die graaft de weg voor de buis. Het laatste stukje gaat heel moeilijk, daar is de grond heel hard. Als de buis diep genoeg zit, wordt er boven de grond een kraan aan de buis gemaakt. Zo kan het gas eruit gelaten worden.
      Soms zit er gas onder een stad, of onder de Waddenzee. Daar mag je geen boortoren bouwen. Als het gas dan toch gewonnen moet worden, bouwt de NAM een boortoren náást de stad. Dan graven ze een schuine gang voor de boorbuis. Zo hebben de mensen er geen last van.
      Als het gas uit de grond is, gaat het niet direct naar je huis. Voordat het in de gasleidingen gaat, wordt er eerst een vies luchtje bij gedaan. Want aardgas kun je niet zien en niet ruiken. Bovendien is het heel gevaarlijk, het kan makkelijk ontploffen. Door een vies luchtje aan gas te geven, ruik je het gelijk als er ergens gas ontsnapt, uit je gasfornuis bijvoorbeeld. Een veilig idee!

    5. De tijd vóór aardgas

      Dit is een kolenschuur. Vroeger zag je dit soort schuurtjes heel veel in Nederland. Voor de vondst van de gasbel in 1959 hadden huizen geen gas. Mensen gebruikten toen steenkool. Net als aardgas komt steenkool diep uit de grond. Het werd opgegraven in kolenmijnen. De kolenboer verkocht de kolen aan gezinnen.

      Kolen kunnen goed branden. Daarom werden ze gebruikt om de kachel mee aan te steken. Je had toen nog niet in alle kamers verwarming. Alleen de kamer waar de kachel stond, werd warm. Op de kachel kon je koken en je badwater opwarmen. Pannetje voor pannetje werd het water opgewarmd en in een grote teil gedaan. Het duurde dus heel lang voordat je bad vol was! Daarom namen de mensen vroeger ook niet vaak een warm bad. Een beetje wassen met een washandje en koud water was genoeg.
      Toen het aardgas werd ontdekt, werden er steeds minder kolen gebruikt. Er zijn nu helemaal geen kolenmijnen meer in Nederland. De laatste is in 1974 gesloten.

    6. Waar zit nog meer aardgas?

      De gasbel in Groningen is een van de grootste gasbellen, maar het is niet de enige. Op andere plekken in Nederland en op de wereld zit ook aardgas. In de Noordzee bijvoorbeeld, en in de Waddenzee. Waarom zijn we dan toch bang dat het aardgas op raakt?

      Er zijn veel gasbellen waar we bijna niet bij kunnen komen. Het is bijvoorbeeld vaak moeilijk om in de zeebodem te boren. Daar zouden hele dure machines voor nodig zijn. Dan zou het gas ook heel duur worden. En dan wil niemand het meer gebruiken.
      Boortorens kunnen wel bij het gas onder de Waddenzee komen. Maar de Waddenzee is een beschermd natuurgebied. Er leven zeldzame dieren. Die moeten niet gestoord worden door de herrie van boormachines. En het landschap moet niet verpest worden door lelijke boortorens. Maar we willen dat gas toch graag hebben.
      Daarom heeft de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij) een afspraak gemaakt over de Waddenzee. Ze mogen er boren als de natuur er geen last van heeft. Daarom hebben ze boortorens naast de Waddenzee neergezet. Door een schuine boortunnel kunnen ze toch bij het gas onder de Waddenzee komen. Zo hoeven er geen boortorens in de natuur te staan, en kunnen ze toch gas winnen!

    7. windenergie

      Dit is een windmolenpark. Met de windmolens wordt energie gemaakt. Die kun je gebruiken in huis. Je kunt er bijna dezelfde dingen mee doen als met aardgas. Dat is handig, want het aardgas is bijna op!

      Volgens de Nederlandse Aardolie Maatschappij is er nog genoeg aardgas tot 2030. Maar wat moeten we als het aardgas op is? Tegenwoordig proberen mensen op andere manieren energie te maken. Maar dat is lastig! Energie moet niet te veel kosten, en vooral niet slecht zijn voor het milieu.
      Windenergie bijvoorbeeld, energie uit windmolens, is heel schoon. Windmolens geven geen uitlaatgassen of vieze rook. Maar het lastige van windmolens is: ze werken natuurlijk alleen als het waait! Daarom staan windmolens vaak op zee, daar waait het altijd wel een beetje. Het is dan alleen wel lastig om ze te repareren als ze kapot zijn. Je moet er met een boot naartoe varen, en als je even een schroevendraaier vergeten bent…. Dan moet je helemaal terug. Omdat het zo moeilijk is om bij de windmolens te komen, kost het onderhoud veel geld.

    8. Zonne-energie

      Steeds meer mensen en bedrijven gebruiken tegenwoordig zonne-energie. Dat komt van zonnepanelen die je op je dak kunt leggen. Die zetten daglicht om in energie.

      Je kunt de energie uit zonnepanelen direct in je huis gebruiken. Om de lamp te laten branden bijvoorbeeld. Maar zonnepanelen zijn duur, en als de zon niet schijnt maken ze niet veel stroom. Zonne-energie kan in zijn eentje niet genoeg stroom leveren voor de hele wereld. Dan zou een heel groot deel van de aarde met zonnepanelen bedekt moeten worden. Zonnepanelen helpen om nieuwe energie te maken, maar van zonnepanelen alleen komt niet genoeg energie. We moeten ook andere vormen van energie gebruiken.

    9. Biobrandstoffen

      Dit is een biogascentrale. Hier wordt biobrandstof gemaakt: brandstof die komt uit planten of uit dierenmest. De mest ligt hier een tijdje in een opslagtank. Dan komt er gas uit: biogas. Daar kun je dezelfde dingen mee doen als met aardgas.

      Ook uit sommige planten kun je brandstof maken. Uit koolzaad en lijnzaad bijvoorbeeld. Als je de zaden fijn perst, komt er olie uit. Die olie kun je gebruiken als brandstof.
      Biobrandstoffen zijn niet zo schoon als zonne-energie of windenergie. Er wordt bijvoorbeeld kunstmest gebruikt om het koolzaad te laten groeien. Kunstmest is slecht voor het milieu. En op het stuk land waar koolzaad groeit, kan geen graan groeien. Of iets anders dat mensen kunnen eten. Boeren moeten kiezen: is hun grond voor energie (koolzaad) of voor voedsel (graan)?
      De nieuwe energiesoorten (windenergie, zonne-energie, aardgas en biobrandstoffen) hebben allemaal voor- en nadelen. Veel manieren van energie maken zijn nu nog duur. Maar hoe meer we erover leren, hoe goedkoper het wordt om zulke energie op te wekken!

Vensterplaten

vanaf 1945

Europa

Nederlanders en Europeanen

    1. Europa: van werelddeel tot unie

      Europa is één van de zeven werelddelen en is daarmee dus een grondgebied. Maar Europa is ook een groep landen die samenwerkt: de Europese Unie. Europa is een plek waar mensen tegenwoordig graag naartoe komen voor veiligheid en welvaart. Maar dat is niet altijd zo geweest.

      Eeuwenlang is Europa het strijdtoneel tussen verschillende koninkrijkjes en volkeren. Een voortdurend gevecht om land en macht. Verschillende keizers, zoals Karel de Grote en Napoleon, proberen heel Europa in hun macht te krijgen. De Eerste en de Tweede Wereldoorlog vormen een keerpunt in de Europese geschiedenis. Deze twee oorlogen veroorzaken zoveel menselijk leed en economische schade, dat de landen het erover eens zijn: dit mag nooit meer gebeuren. Een nieuwe oorlog moet voorkomen worden. Samenwerken lijkt de oplossing.

    2. Nooit meer oorlog

      Europa wordt na de Tweede Wereldoorlog verdeeld in Oost- en West-Europa. Er is veel werkloosheid en armoede. Enkele West-Europese landen besluiten dat er iets gedaan moet worden. Om de vrede te bewaren én de economie te stimuleren gaan zes landen samenwerken. Wat gaan ze doen?

      Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, Italië en Duitsland richten in 1951 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op. Kolen en staal waren belangrijk voor de wapen- en oorlogsindustrie, na de oorlog worden ze gebruikt voor vreedzaam herstel van de economie. Steenkolen zijn nodig voor de verwarming. En staal is nodig voor bijvoorbeeld spoorlijnen en gebouwen. Op deze manier kunnen de landen elkaar in de gaten houden én elkaar helpen. Dit is het begin van de uitgebreide Europese samenwerking op het gebied van handel en veiligheid, de Europese Unie (EU). En sinds de val van de Berlijnse muur in 1989 kunnen ook Oost-Europese landen lid worden van de EU.

    3. Eén voor allen, allen voor één

      Waarom zou een land lid willen worden van de Europese Unie? Het is namelijk niet gratis. Ieder lid betaalt geld aan de EU. Daar wil je dus wel wat voor terug krijgen. De belangrijkste reden om lid te worden is de samenwerking en vrije handel, die zorgen voor langdurige vrede en welvaart. Hoe dan?

      Door het openstellen van de grenzen (Verdrag van Schengen, 1985/86) kun je vrij handelen en reizen in de EU. Dat is goed voor de handel en levert meer welvaart op. Als je meedoet heb je ook recht op subsidies. Dan krijg je geld van de EU voor speciale projecten, die goed zijn voor onder meer landbouw, economie en veiligheid. Samen sta je ook sterker om oplossingen te zoeken voor wereldproblemen zoals klimaatverandering, vluchtelingen en energievoorziening. Sinds 2002 is er ook de euro, de Europese munteenheid. Het nadeel van lid zijn is dat je als land over veel zaken niet meer zelf kunt beslissen. Als je lid bent van de EU moet je je houden aan de Europese afspraken en regels.

    4. Lidmaatschap van de EU

      Lid worden van de Europese Unie is ingewikkeld en kost veel tijd. Eerst moet een kandidaat-lidstaat aan allerlei voorwaarden voldoen. Het land moet in ieder geval een democratisch bestuur en een stabiele economie hebben en de Europese wetten en regels respecteren. Een land kan alleen lid worden als alle lidstaten ermee instemmen. En dan?

      Als je voldoet aan de criteria kun je een aanvraag indienen. Dan starten de onderhandelingen. Het land moet zijn wetgeving aanpassen om aan de EU-regels te voldoen. De onderhandelingen gaan over wat er dan aangepast moet worden. Tijdens dit proces spreken we van kandidaat-lidstaten. Het is namelijk de bedoeling dat de landen goed kunnen samenwerken en elkaar kunnen en willen helpen als dat nodig is. Zijn alle besprekingen succesvol afgerond, dan mag je toetreden tot de Europese Unie. Wat in 1951 begon als een samenwerking tussen zes landen is inmiddels uitgegroeid tot een unie met 28 lidstaten.

    5. Samen, maar niet gelijk

      De EU telt op dit moment 28 lidstaten. Kroätie is er in 2013 als laatste bij gekomen. Maar er zijn wel wat verschillen tussen de lidstaten. Ze liggen bijvoorbeeld niet allemaal in het Schengengebied en kunnen dus niet vrij handelen en reizen in de EU. En niet alle lidstaten gebruiken de euro. Hoe kan dat?

      De afspraken die gemaakt zijn tijdens de onderhandelingen bepalen waarin het land wel en niet samenwerkt met de EU. Negentien EU-lidstaten gebruiken bijvoorbeeld de euro, dit noemen we de eurozone. Denemarken en Engeland willen niet meedoen met euro. Andere landen moeten eerst hun zaken netjes op orde hebben voor ze mee mogen doen. Wil je onthouden welke landen de euro gebruiken? Er zijn handige ezelsbruggetjes bedacht: bij 12 landen was het; ding flof bips en bij 17 landen was het; sms ff bondige clips. Oeps, het zijn er nu 19, wie verzint een nieuwe?

    6. De regering van de EU

      De regering van de EU-lidstaten bestaat uit verschillende organisaties met Brussel als hoofdstad. De belangrijkste vier organisaties zijn: de Europese Commissie (EC), de Raad van de Europese Unie/Raad van Ministers, de Europese Raad (ER) en het Europees Parlement (EP). Samen zijn ze verantwoordelijk voor de Europese Unie. Wie doet wat?

      De Europese Commissie (EC) is het dagelijkse bestuur van de EU. Elke eurocommissaris is - als een soort minister - verantwoordelijk voor één of meerdere onderwerpen, zoals milieu of veiligheid. Maar ze mogen hun eigen land niet voortrekken, het belang van de EU staat voorop. De Raad van Ministers bestaat uit leden van de regeringen uit de EU-landen. Zo kan elk land toch een beetje opkomen voor zijn eigen belang. Dan heb je nog de Europese Raad met alle regeringsleiders van de EU-landen. Het Europees Parlement (EP) lijkt op onze Tweede Kamer. De leden worden gekozen door de burgers van de EU-landen. Zij geven het volk een stem. Het Europees Parlement zit als enige organisatie in Straatsburg en reist regelmatig op en neer naar Brussel.

    7. Europa in ons dagelijks leven

      Europa lijkt ver weg, maar het is overal om je heen. Kijk eens naar de nummerborden van de auto’s naar het blauwe stukje met de Europese vlag. Of wat dacht je van het noodnummer 112: in bijna heel Europa geldig, handig hè? Bij de EU worden ook afspraken gemaakt over bijvoorbeeld luchtkwaliteit, milieu, landbouw en telefoontarieven. Waarom is dat belangrijk?

      Stel dat de fabrieken in Duitsland heel veel viezigheid de lucht in blazen of lozen in de rivieren. De vieze lucht of het smerige water kan overal in Europa terechtkomen, niet zo gezond. Of wat dacht je van vlees, groenten of ander voedsel. Door de vrije handel gaan deze producten naar verschillende landen in de EU. Stel dat dit voedsel niet veilig is, dan kunnen we allemáál ziek worden. Door met elkaar goede afspraken te maken is het voor iedereen in de EU veiliger, schoner en prettiger leven en werken.

    8. Meer of minder Europa

      Grexit, Brexit, Frexit, Nexit! Deze begrippen staan voor het uittreden van een land uit de EU. Exit is Engels voor ‘uitgang’. Griekenland heeft heel hoge schulden. Wordt het een Grexit? Engeland wil geen lid meer zijn van de Europese Unie, dat betekent Brexit! Samenwerken is altijd lastig, zeker als er veel op het spel staat. Wat vind Nederland van Europa?

      Vanaf 1951 zijn er steeds verdere stappen gezet in de samenwerking. Op meer gebieden en met meer landen. Nederland is niet altijd blij met de beslissingen van de Europese Unie. Maar er komt voorlopig geen Nexit. De meeste Nederlanders zijn vóór samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie, buitenlandse politiek, migratie en energie. Ook vinden de meeste Nederlanders het fijn om vrij te kunnen reizen in de EU. Andere positieve aspecten zijn de vrede, de euro en de invloed die de EU (als één blok) op de rest van de wereld heeft. Iets meer dan de helft van de bevolking van Engeland wil dat het land de dingen weer zelf gaat regelen. Brexit!

Vandaag: 20 april

in de geschiedenis

Bekijk volledige kalender

Actueel