Buitenhuizen

Wonen buiten de stad

In de 17e eeuw was Nederland een rijk land. Vooral in Amsterdam ging het goed. Er woonden veel rijke mensen. Deze mensen wilden in de zomer graag buiten de stad wonen. Ze lieten daarom grote huizen bouwen op mooie plekken in de natuur.

Buitenhuis

Deze vakantiehuizen werden buitenhuizen genoemd. Het waren soms net kleine paleizen. Met grote, prachtige tuinen. Veel tuinen hadden rechte hoeken en lijnen, en vijvers en fonteintjes. De rijke Amsterdammers woonden vooral in de zomer in hun buitenhuis. Ze lieten dan hun vrienden op bezoek komen.

Trekschuit

De rijke Amsterdammers namen veel spullen mee naar hun buitenhuis. Ook het personeel verhuisde voor een paar maanden mee. Met een trekschuit werd van de stad naar het platteland verhuisd. Een trekschuit is een platte boot. Hierop werden alle spullen gezet, bijvoorbeeld meubels. De trekschuit werd getrokken door een paard. Dit paard liep dan op de wal, langs het water.

Goudestein

Een mooi voorbeeld van een buitenhuis is Goudestein. Het ligt in Maarssen langs de rivier de Vecht. Het was eerst een grote boerderij. Deze boerderij werd in 1608 gekocht door de Amsterdamse koopman Jan Jacobszoon Huydekooper. Zijn zoon Joan liet in 1628 Goudestein bouwen. In 1754 werd het gebouw weer afgebroken en werd er een nieuw paleis gebouwd.

Gemeentehuis

Dat kleine paleis Goudestein is nog altijd te zien. Het is nu het gemeentehuis van Maarssen. Veel mooie buitenhuizen zijn tegenwoordig kantoren. Sommige huizen kun je ook voor één dag huren om er een feest te geven. Bijvoorbeeld als je gaat trouwen.