Srebrenica 1995

De dilemma’s van vredeshandhaving

Lees voor...

Op 6 juli 1995 trokken de troepen van de Bosnisch-Servische generaal Mladic op naar de door Dutchbat-III beveiligde enclave Srebrenica. Zonder veel tegenstand liepen de aanvallers de veilige plaats voor moslims zes dagen later onder de voet. De meeste moslim-mannen hadden de enclave eerder verlaten in een poging te ontsnappen. Het merendeel van hen was echter buiten Srebrenica in handen van de Serviërs gevallen. De Serviërs voerden de resterende moslims in bussen af nadat ze eerst met behulp van de Nederlandse militairen de aanwezige mannen van de vrouwen en kinderen hadden gescheiden. Ze werden samengevoegd met de groep eerder gevangen vluchtelingen en even later werden de meeste mannen (ten minste 7000) door de Serviërs geëxecuteerd. De Nederlandse soldaten, van wie sommigen vermoedden wat er te gebeuren stond, maar die geen getuige waren van de moorden zelf, kregen een vrijgeleide naar Zagreb, waar ze door premier Kok en prins Willem-Alexander werden verwelkomd.

Toen in Nederland was doorgedrongen welke ramp zich 'onder de ogen van Dutchbat' had voltrokken, rees de vraag of de Nederlandse soldaten de enclave niet hadden moeten beschermen tegen de Serviërs en zo misschien deze genocide hadden kunnen voorkomen. Aanvankelijk werd vooral naar de militairen gekeken, maar al snel bleek dat de verantwoordelijkheid niet bij hen kon worden neergelegd. Hun mandaat verbood hen mee te doen in de oorlog. In september 1996 kreeg het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) van de regering de opdracht onderzoek te doen naar de precieze toedracht. Toen het NIOD-rapport in 2002 verscheen, nam premier Kok de politieke verantwoordelijkheid voor de ramp in Srebrenica, en trad af.

Het Nederlandse leger heeft vanaf het eerste uur meegedaan aan vredesoperaties van de Verenigde Naties, waarbij troepen namens de VN toezien op naleving van vredesakkoorden in verschillende gebieden. De eerste was in 1948, in Israël. Een van de terugkerende problemen bij deze operaties is de zogenaamde geweldsinstructie. Wat mag het leger wel en wat niet doen in zo'n gevaarlijk gebied? De Tweede Kamer heeft over het sturen van de Nederlandse militairen het laatste woord. Zij moet instemmen met afspraken tussen de regering en de VN over de mate van de bewapening en het soort geweld dat het leger mag gebruiken. Dat betekent dat in de Tweede Kamer uiteindelijk de afweging plaats heeft van de taken van de troepen en de gevaren die ze daarbij zelf lopen. Na de gebeurtenissen in Srebrenica is nog maar eens vastgesteld dat de Kamer daarover zo goed mogelijk geïnformeerd moet worden.

Srebrenica heeft diepe sporen nagelaten in Nederland. Het heeft geleid tot grotere huiver en meer voorzichtigheid bij het uitzenden van troepen. Maar het heeft niet tot gevolg gehad dat Nederland zich afzijdig houdt en internationale verzoeken om militaire steun afwijst. Want Nederland wil een rol blijven spelen in de internationale (vredes)politiek.

N.B. De canoncommissie heeft geaarzeld over de opname van dit venster. Niet zozeer omdat het verhaal erachter complex is, of op zijn zachtst gezegd niet vleiend voor Nederland. Wij vertrouwen op het uitleggend vermogen van de leerkrachten op de basisschool, en een canon moet ook zwarte bladzijden durven honoreren. Wel zijn dankzij het internet van het drama in Srebrenica de meest gruwelijke kleurenbeelden slechts een muisklik van ons af. De waarheid is ermee gediend, voorzeker - maar de commissie wil docenten en andere werkers met de canon uitdrukkelijk op hiermee verbonden risico's attenderen.


voortgezet onderwijs