In 1607 besloot een groep Amsterdamse kooplieden en burgemeesters het meer de Beemster droog te leggen. Ze wilden dat om er geld aan te verdienen en omdat de polder gebruikt kon worden om voedsel te verbouwen. De bouw en het plaatsen van de molens was de taak van Jan Adriaenszoon Leeghwater. Voor het droogleggen van het meer werden maar liefst 43 windmolens gebruikt.
Werktekening van een typische Beemstermolen, uit 'Groot volkomen Moolenboek'