Op 5 april 1566 boden tweehonderd Nederlandse edelen Margaretha van Parma een verzoekschrift aan. Margaretha was landvoogdes, zij regeerde de Nederlanden in opdracht van koning Filips de Tweede. In het verzoekschrift vroegen de edelen haar om een einde te maken aan de geloofsvervolgingen, waardoor steeds meer protestantse mensen de gevangenis ingingen. De protestanten werden ketters genoemd, omdat ze het niet eens waren met de rooms-katholieke kerk. Margaretha schrok van het hoge aantal edelen voor haar deur, maar een raadsheer zei spottend: 'Het zijn maar geuzen (bedelaars).' Een paar dagen later sloten deze edelen een verbond en noemden zich 'geuzen'. Voortaan droegen ze een bedelnap aan hun riem en een munt om hun nek. Zo kon je ze herkennen.
Collectie: Rijksmuseum Amsterdam / NG-71-B